De economische ontwikkelingen in de vroege Middeleeuwen

De ineenstorting van het Romeinse Rijk

De Merovingische en Karolingische periodes zijn een integraal onderdeel van de Nederlands Middeleeuwen vandaar dat we deze apart beschouwen. Maar om de bredere ontwikkelingen die leiden tot de Middeleeuwen nader te bekijken moeten we eerst terug naar de ineenstorting van het Romeinse Rijk.

Het eens machtige Rome (Foto’s Paul 2015)

Het is niet eenvoudig om een datum te prikken voor het begin van deze periode. Er zijn een aantal aanwijzingen. Uiteraard speelde de ondergang van het Romeinse Rijk hierin een sleutelrol. Dit begon al in de 3e eeuw en met name in noordwest Europa konden de Germaans stammen zich min of meer vrij op Romeins grondgebied begeven en veel stammen trokken permanent naar het gebied. Met name de Saliërs waren al aan het einde van de 3e eeuw stevig gevestigd in het gebied onder de grote rivieren in de Lage Landen. Ze werden de dominante Germaanse macht toen ze fuseerden met andere stammen en nu gezamenlijk bekend werden als de Franken. Tijdens de laat-Romeinse periode waren de meeste militaire leiders in deze regio (en zelfs daarbuiten) afkomstig van de Germaanse stammen die in staat waren om via de militaire rangen te stijgen tot de Romeinse leiders in de grensregio’s.

De Romeinen verlieten onze regio definitief in 402 en de controle was in feite volledig in handen van deze geromaniseerde Germanen.

Een andere datum is natuurlijk de definitieve val van Rome in 476. Maar het verval voor het West Romeinse Rijk begon eigenlijk al zodra keizer Constantijn de hoofdstad in 325 naar Byzantium verplaatste, dat als gevolg werd omgedoopt tot Constantinopel.

Toen diezelfde keizer, ongeveer tegelijkertijd, besloot dat het Romeinse Rijk het katholieke geloof als staatsgodsdienst zou aannemen, werd een andere belangrijke ontwikkeling in gang gezet. De meeste Romeinse centra werden al snel ook de zetels van bisschoppen en met de voortdurende neergang van het Rijk nam de Katholieke Kerk ook een belangrijk deel van het bestuur van de gebieden, waar ze actief waren, over en dat gebied breidde zich vanaf de 6e eeuw snel uit. Verder droeg de ontwikkeling van kloosters ook bij aan de toename van de macht van de Kerk onder de plattelandsbevolking, vooral toen alle kloosterordes na 1100 volledig onder de controle van Rome werden gebracht.

Donkere middeleeuwen in Noordwest-Europa

Tegenwoordig wordt de term Donkere Middeleeuwen niet meer als acceptabel gezien, maar men zou kunnen stellen dat de term van toepassing is op grote delen van de regio die we in dit onderzoek bestrijken, Noordwest-Europa.

Chris Wickham beschrijft deze periode in zijn boek “The Inheritance of Rome” als “Radicale materiële vereenvoudiging”, wat betekent dat de levensstandaard kelderde. Gedurende deze tijd zien we een afname van de bevolking, een toename van geweld en militaire activiteit, achteruitgang van steden en een terugkeer naar een zelfvoorzienend plattelandsleven; ook lekengeletterdheid en innovaties verdwenen uit Europa.

Zowel de Latijnse taal als de stad Rome overleefde de neergang, ook de ideeën van het Romeinse leven en van een Romeinse Rijk blijven gedurende deze hele periode een ideaal.

Gereconstrueerde Roman Temple in Empel – in het Romeinse grensgebied (Foto Paul 2013)

Na de langzame ontwikkelingen in de brons- en ijzertijd zagen we delen van ons gebied opbloeien tijdens de Romeinse tijd. Dit werd een grensgebied en met een grote militaire aanwezigheid creëerde dit goede economische kansen en tegelijkertijd een stabiele politieke situatie.

Dit eindigde abrupt rond 250AC, daar kunnen een paar redenen voor zijn:

  • Het zou beïnvloed kunnen zijn door klimaatveranderingen die de grondwaterstanden verhoogden, wat de landbouw moeilijk of onmogelijk zou hebben gemaakt,
  • Mogelijke veranderingen in de Romeinse administratieve en militaire systemen, het wegtrekken van troepen, met als gevolg een achteruitgang van de economie;
  • Toegenomen invasies van de Saliërs in wat nu Brabant en België is.

 

Er is geen sluitend bewijs voor een van deze scenario’s. Het feit blijft echter dat de regio ontvolkt raakte. Er was niet langer de kritische massa voor nieuwe ideeën en innovaties, de communicatie nam af en de handel verdween grotendeels. Dit gebrek aan vooruitgang onder mensen die deze periode overleefden betekende een terugkeer naar kleine, geïsoleerde gemeenschappen en dus ook naar heidendom, bijgeloof en magie.

Na de definitieve ineenstorting van het Romeinse Rijk (476) verdiepte deze achteruitgang zich alleen maar en verspreidde zich naar andere gebieden langs de rivieren Rijn en Maas naar wat nu Duitsland en ook Noord-Frankrijk is, een vergelijkbare situatie van achteruitgang deed zich voor in Engeland.

De volgende periode van barbaarse invasies en migraties en de strijdende fracties van de Merovingen brachten langzaam maar zekere weer veranderingen op gang, maar grote delen van het land werden teruggenomen door de natuur. Wat we zagen gebeuren was een proces van sociale fragmentatie – ieder voor zich. Mensen organiseerden hun leven rond hun eigen lokale situatie en verenigden zich voor lokale bescherming. Ze zochten naar lokale sterke mannen die zich ontpopten als krijgsheren om zowel lokale als buitenlandse indringers af te weren en begonnen zo hun eigen kleine rijkjes uit te hakken. Deze sterke mannen groeiden uit tot lokale heren die ook recht spraken en lokale voedsel- en productiesystemen (textiel) organiseerden.

Ravenna San Vitale – mosaic of Emperor Justinian and his retinue. (Foto Paul 2016)

Hoewel de effecten van de Justiniaanse pest van 542 ook deze regio bereikten, is het de vraag of dit enig ernstig effect had op de toch al uitgedunde bevolking, maar zeker wat er nog over was van de steden in deze regio zag sterftecijfers van 30% en hoger, dit nam verder toe door epidemische golven in de daaropvolgende decennia.

Terwijl de stabiliteit terugkeerde tijdens de Karolingische periode, maakte de ineenstorting van het rijk na de dood van Karel de Grote onder druk van de invasies van de Vikingen in Noord-Europa een einde aan die korte periode van herstel.

In de volgende eeuw groeiden de oorlogsheren uit tot lokale graven die nog steeds voor zichzelf moesten vechten omdat er geen centrale overheid meer was om hen te beschermen. Toen de Vikingen eenmaal waren vertrokken en/of gesetteld, waren er veel werkloze rondtrekkende krijgers (ridders) die door het land roofden en binnen honderd jaar had elk stukje land zijn eigen heer, ridder of graaf, die allemaal met elkaar vochten om hun land en hun macht te vergroten.

Fontenelle klooster gesticht door St. Wandrille founded in 668. He was a member of the royal family of Austrasia, held a high position in the court of Dagobert I. (Foto Paul 2014)

Soms was het enige lichtpuntje in deze donkere middeleeuwen het christendom. De kerk was in deze periode het enige stabiele element in Europa en in de oude Romeinse steden verder naar het zuiden ging men door, met wat er nog over was van het bestuur, wetgeving, administratie, enz., Met name de bisschoppen kunnen worden gezien als de ‘gouverneurs’ van deze steden en ook voor hen die in het platteland daaromheen woonden. Verder naar het noorden in onze regio waren er slechts een paar kloosters, maar het was pas in de 10e en 11e eeuw dat zij hier een impact begonnen te krijgen.

Hoogstwaarschijnlijk was het de verandering in het klimaat in plaats van enige menselijke interventie dat het tij vanaf 1000 keerde, met het warmere weer groeide de landbouwproductie en uiteindelijk kwam de regio weer tot leven; pas vanaf die tijd kunnen we – voor het eerst in de geschiedenis – spreken van de ontwikkeling van een relatief welvarender en socialer leven voor de mensen in een meer regionale omgeving.

In 1399 mocht Oss zich versterken tegen de Gelrese invallen. Dit is de Graafse Poort zoals deze er uit zag voor 1732.

Langzaam maar zeker ontstonden er meer centrale machten. We herkennen dat in the huidige Europese structuur: Engeland, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië, enz. In het oude Middenrijk, waar ook onze regio onder viel, het grensgebied tussen Frankrijk en Duitsland, vond natievorming echter niet plaats en hier bleef de situatie een voortzetting van kleinere graafschappen en hertogdommen die vaak onderling vochten, evenals tegen de binnenvallende Fransen en Duitsers.

In de 14e eeuw werd Oss bijvoorbeeld een van de terugkerende doelwitten tijdens de Brabant-Gelre-oorlogen en toen deze uiteindelijk in de 16e eeuw eindigden, werd Brabant een kolonie van Holland en leed het aan een ernstige economische depressie die duurde tot de 19e eeuw.

Heroriëntatie en hervormen

In de eeuwen na de ineenstorting van het westelijke deel van het Romeinse Rijk waren er weinig aanwijzingen dat Europa zich zou ontwikkelen tot de huidige situatie. In die tijd zou men veilige hebben kunnen zeggen dat de Europese ontwikkelingen zouden worden gedicteerd door Byzantium en het Kalifaat.

Tegen de 7e eeuw wordt het echter mogelijk om te zien hoe Europa zich gaat ontwikkelen in wat het nu is en dit verschilt aanzienlijk van de periode daarvoor.

De voorgaande 1500 jaar hadden de ontwikkelingen in Europa zich geconcentreerd rond de Middellandse Zee en vonden handel, cultuur, communicatie en contacten plaats binnen de bevolkingsgroepen rond dit bassin, de Grieken, Romeinen, Arabieren, Noord-Afrikanen.

De Goten veroverden zelfs de Romeinse stad Pergamon in Turkey in 263 (Foto Paul 2015)

Die eenheid begon af te brokkelen. Het werd eerst verzwakt door de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk, maar de Goten, Vandalen en Visigoten vonden dat ook zij deel uit maakten van het mediterrane rijk, maar die sterke banden begonnen te verzwakken.

Wat ook verzwakte, was de macht van de heersende seculiere klasse – de senatoriale families – die gedurende de eerste paar eeuwen onder barbaarse controle nog steeds hun sterke posities behielden in wat het Romeinse Rijk was geweest. Deze families waren goed opgeleid, cultureel, bereisd en geletterd en deze wereldlijke macht. Velen gingen deel uitmaken van de kerkelijke structuur in de vorm van pausen, kardinalen en bisschoppen. Zij waren ook instrumentaal in de vorming van kloosters waar ze abten en abdissen werden. Later verwierven ze de hogere functies in de kapittels van de kathedralen. Op latere leeftijd traden veel van hen als monniken in deze kloosters, waar ze een goede oude dag ontvingen.

Academie van Athene gesticht door Plato in 387BC gesloten in 529AD. Schilderij van Raphel in het Vatikaans Museum (Foto Paul 2016)

Onder de hegemonie van de kerk begonnen de belangrijkste leercentra uit de Griekse en Romeinse periode in betekenis af te nemen en uiteindelijk werden ze door de kerk gesloten. Volgens de kerk was alles kennis die men nodig had in de kerkelijke geschriften te lezen. Zo begon een enorme hoeveelheid kennis uit de samenleving te verdwijnen.

Terwijl het Romeinse Rijk in het oosten doorging, verzwakte in de 7e eeuw ook hun invloed, steden werden kleiner en het rijk begon te krimpen en bevatten nog slechts Anatolië, de Balkan en Griekenland.

Een katalysator in de hervorming van de culturele en economische kaart van Europa was de Arabische verovering en hun daaropvolgende heroriëntatie van hun macht rond Baghdad, in plaats van op de Middellandse Zee. Interessant archeologisch bewijs in de Levant toont een langzame verhuizing van handelscentra van het kustgebied naar het vasteland en handelsroutes begonnen heel anders te lopen. Er is geen bewijs van enige vernietiging van deze verlaten plaatsen en ze bleven zeker bloeien tijdens de vroege periode van de verovering, het duidt op een langzame achteruitgang en verlatenheid.

En ten slotte wat de nieuwe oriëntatie heeft gevormd, is de opkomst van Noord-Europa met de Franken, Angelen, Saksen en Ierse Kelten.

Uiteraard hebben alle bovenstaande elementen elkaar beïnvloed en er is niet één enkele reden voor deze heroriëntatie.

De culturele en commerciële hervorming van Europa duurde enkele honderden jaren om te voltooien en tegen de 11e eeuw begonnen nieuwe culturele en commerciële structuren vorm te krijgen.

Terwijl de focus van Europa was verschoven van de Middellandse Zee naar het noorden, was het wereldbeeld van de mensen die hier woonden niet veranderd. Kaarten plaatsten nog steeds de mediterrane landen in het centrum, met de rest van Europa, Azië en Afrika als blokken daaromheen. Dit wereldbeeld zou pas beginnen te veranderen na de nieuwe ontdekkingen tegen het einde van de 15e eeuw.

Economische ontwikkelingen

Geen markteconomie

Nadat het Romeinse Rijk was ingestort werd geld schaars en verdween het min of meer uit de economie. De economie in de vroege middeleeuwen en zelfs in de periode daarna was een door buit gedreven systeem, dat alleen de stamhoofden van de clans en hun familieleden ten goede kwam. Dus wat rijkdom in die tijd ook betekende, het was slechts in handen van minder dan 1% van de mensen.

Tijdens het militaire en politieke voorjaarsevenement (de ‘campus maii’) kwamen de krijgsheren bijeen om hun rooftochten voor het komende seizoen te bespreken.  Deze plundercultuur resulteerde in een min of meer permanente staat van oorlog. Onder Karel de Grote werden deze topontmoetingen ook gebruikt om andere politieke en economische kwesties te bespreken. Als koning had Karel de Grote het bannum recht, dit hield in dat het recht had om te verbieden, te bevelen, te straffen en te belonen. De campus maii was het belangrijkste evenement dat hiervoor gebruikt werd.

Aan het begin van de Merovingische periode werd de slavernij uit de Romeinse tijd nog voortgezet, maar er waren ook vrije boeren. Maar – in ruil voor ‘bescherming’ – hadden de opkomende krijgsheren steeds meer boeren nodig die voor hen moesten werkten, dit resulteerde in het systeem van horigheid. Slavernij was nog steeds een handelsproduct toen de steden in Vlaanderen hun opgang maakten.

Het einde van de buiteconomie

De buiteconomie was gebaseerd op bloedrelaties en aanverwanten (vrienden) op wie men in de militaire campagnes kon vertrouwen. Bij succes werden de deelnemers beloond met een deel van de buit. Steeds vaker echter leverden plundertochten niet meer genoeg ‘geschenken’ op.

Om de relaties in stand te houden ontstond er een uitgebreider systeem van de gifteconomie. Er werd hier meer en meer afgezien van invallen en in plaats daarvan richtte het economische systeem zich meer en meer op grondbezit en op de handel.

Hiervoor moest de aristocratie steeds meer gebruik maken van de diensten van gespecialiseerde kooplieden voor de levering van hun prestige en luxegoederen zoals: zout en zijde en voor militaire doeleinden was er ook een handel in koper en ijzer en in het eindproduct, wapens. Het is interessant dat we dit soort handel ook al eerder in de prehistorie tegenkwamen. We verwezen hier eerder al naar de zout- en wapenhandel in relatie tot de Kelten langs de Maas (De Koning van Oss).

Aristocratische vrouwen werden vaak ook gebruikt als handelsobject. Hierdoor werden vriendschappelijke verbanden gesticht en vredesverdragen ondertekend. Vaak speelden deze vrouwen een belangrijke rol in de onderlinge verhoudingen.

Handel bestond in de vroege middeleeuwen eigenlijk alleen om het systeem van ‘geschenkenuitwisseling’ te ondersteunen met het oog op patronage tussen de koning en hun edelen. Handel was er alleen om de elite te voorzien van prestige producten die als geschenk dienden. Dit systeem is nog steeds van kracht in sommige tribale samenlevingen.

De handel zoals wij die nu kennen was in die tijd vrij beperkt omdat er nauwelijks een agrarisch laat staan een industrieel overschot was om handel mee te drijven. Bovendien konden kooplieden gemakkelijk het doelwit worden van een plunderende partij. Dit vereiste de speciale bescherming van kooplieden en van de handelsactiviteiten (markten).

Al tijdens de Merovingische en Karolingische periode werd deze ‘bescherming’ een onderdeel van het systeem van privileges. Vanhieruit werd het onderdeel van het feodale systeem dat zich ontwikkelde tussen de koning en de lagere adel en later werden de steden hierin ook betrokken (stadrechten). Toen Oss in 1399 haar stadsrechten verwierf kreeg het ook een reeks van privileges inclusief het recht om tol en marktgeld te innen en het recht om boetes te innen.

Langzaam zien we dat de ‘geschenken’-cultuur tussen de koning en zijn edelen wordt vervangen door een systeem van landgoederen en privileges. Voor steden betekende dat het recht om verdedigingsmuren te bouwen, het graven van grachten en het bouwen van burchten. Door de bovengenoemde bannum waren deze militaire rechten onlosmakelijk verbonden met koningen en als zodanig nooit betwist, evenals de rechten om het land te gebruiken volgens zijn eigen goeddunken (landbouw, jacht, visserij, bosbouw, enz.).

Langzaam werd wat in zijn oorsprong een traditie van het geven van geschenken was, een reeks privileges en dit werd gemeengoed en onder het feodale systeem werd dit vaak zeer ernstig misbruikt, deze ‘gaven’ werden belastingen en persoonlijke dienstverlening (lijfeigenschap) deze werden vereist door zowel landheren als de kerk.

Op naar een op landbouw gebaseerde economie

Geschat wordt dat de bevolking van Europa tussen de jaren 600 en 1000 is verdubbeld van ongeveer 12 tot ongeveer 20 miljoen, een jaarlijkse vrij magere groei van ongeveer een kwart procent. Naar schatting 15 miljoen van hen leefden in het Karolingische Rijk dat Frankrijk, de Lage Landen, de helft van Duitsland, Oostenrijk en Italië omvatte. De bevolkingsdichtheid wordt geschat op 2 tot 5 personen per vierkante kilometer. De toename van de bevolking in de 9e en vooral vanaf de 10e eeuw zag een intensivering van een efficiëntere op landbouw gebaseerde economie; dit was grotendeels te danken aan de zogenaamde Middeleeuwse Warme Periode (MWP). In de periode (800-1300) nam door het warmere weer de hoeveelheid bouwland toe. Bijna 100% van de mensen die in die tijd in het Karolingische Europa woonden, vertrouwden op landbouw om te overleven.

Geschat wordt dat tegen de 10e eeuw de bevolking boven het rivierenstelsel in de Lage Landen was toegenomen van 10.000 aan het einde van de Romeinse periode tot 40.000. De ‘donkere’ periode werd langzaam maar zekere verlaten.

In tegenstelling tot de situatie in de warmere mediterrane regio’s leverde de landbouw in Noordwest-Europa zo’n lage opbrengst op dat deze niet veel bijdroeg aan de economische activiteit, d.w.z. dat er geen overschot was voor de handel. Eeuwenlang bleef de opbrengst gelijk. 1:3 of 1:4 met betrekking tot zaailingen. Met name na het WMP, toen meer mensen afhankelijk waren van de opbrengst van de landbouw, betekende een koud voorjaar, een natte zomer of een plantenziekte hongersnood. Gemiddeld mislukte één op de vier oogsten. Het zou best kunnen dat enkele dorpen verderop een betere oogst hadden, maar gebrek aan communicatie en transport (handel) zorgde ervoor dat er nauwelijks gelegenheid was om voedsel te ‘importeren’.

Innovatie bleef uit. Terwijl tijdens de migratieperiode rogge werd geïntroduceerd in West-Europa, afkomstig uit Turkestan, stond de landbouwtechnologie stil tijdens het grootste deel van de vroege middeleeuwen. Tegen het einde van de periode leidden de contacten met de Arabische landen uiteindelijk tot innovaties die op hun beurt leidden tot een toename van de opbrengst en de mogelijkheid tot bevolkingsgroei.

De adel moest grote en productieve landbezittingen (domeinen/ hoven) onderhouden nodig voor het voedsel voor hun families, hun entourage en voor de voorraden nodig om hun campagnes te voeren. Deze uitgebreide zelfvoorzienende domeinen vormden een krachtig onderdeel van de politieke eenheid tijdens de Merovingische en Karolingische periodes.

Oorspronkelijk had de koning geen vaste plaats van vestiging en reisde hij van plaats naar plaats om zodoende overal zijn aanwezigheid te laten zien en daar moest hij gebruik maken van de producten die door deze domeinen werden geleverd, zodra een dergelijke plaats was uitgeput, reisden ze weer verder. Interessant is ook dat deze reizende hoven met al hun personeel op zichzelf plaatsen van activiteit werden die vele anderen aantrokken, zoals artiesten, ambachtslieden en handelaren.

Geldzaken

Na de val van het Romeinse Rijk was de economie teruggevallen tot ruilhandel. De eerste kleine zilveren munten die opnieuw werden geslagen stonden bekend als sceattae (betekenis: rijkdom). Vanaf de 7e en 8e eeuw werden ze geslagen in Engeland, Friesland en Jutland.  In de Merovingische landen hervormde Pepijn het systeem in 755 en verving de sceatta door vast gewaardeerde solidi, een uniforme Frankische munt, die zijn naam droeg (sceatae droegen niet de namen van koningen). In het kader van het privileges systeem zoals hierboven vermeld, kregen bepaalde edelen al snel het muntrecht en vooral tijdens de Karolingische periode zagen we een aanzienlijke toename van deze activiteit, wat natuurlijk kan worden geïnterpreteerd als een toename van economische activiteit.

Sceatta – Dorestad

 

Als een indicatie van hun opkomende macht, is het in deze tijd dat we ook zien dat sommige steden hun eigen munten slaan. Het muntrecht was een officieel monopolie van de koning, maar tijdens de Karolingische periode hadden zo’n 30 steden hun eigen munt, waaronder Dorestad en Maastricht.

Karel de Grote introduceerde in 781 de zilveren denarii. In 794 stelde hij het gewicht en de wisselkoersen tussen de munten vast: twintig solidi maakten een pond en twaalf denarii waren gelijk aan één solidus (de denarius werd de penny en was de populairste munt).

Louise de Vrome en Karel de Kale volgden het werk van Karel de Grote op en regelden de Karolingische geldmarkt verder. Nieuwe munten werden er geslagen volgens de nieuwe regeling aan de hoven van: Quentovic, Rouen, Reims, Sens, Parijs, Orléans, Chalon-sûr-Saône, Melle en Narbonne. Op 1 juli 856 moest iedereen zijn zilveren edelmetaal inruilen voor de nieuwe munten.

Onder Karolingische heerschappij werden de lokale economieën nieuw leven ingeblazen en dit had een lang durend effect op de economische toekomst van Europa. Het zou echter nog enkele honderden jaren duren voordat geld de belangrijkste vorm van betaling voor transacties zou worden.

De Ottoonse koningen in Oost-Francia (Heilige Roomse Rijk) namen het monetaire beleid over van de Karolingen en de Keulse denarius werd een van de meest succesvolle munten van die tijd.

Mijn geboorteplaats Vught was een van de eerste plaatsen in Brabant, samen met Antwerpen die in de 11e eeuw een muntrecht had (eerste vermelding voor Fughte dateert uit 1028).

Handelaren

De opkomende gecentraliseerde structuren van het Merovingische en Karolingische tijdperk bevorderden ook een bredere economische groei en met vallen en opstaan begon er vooruitgang te ontstaan dat in noordwest Europa zou leiden tot de ontwikkeling van zeer rijke steden. Vlaanderen en Brabant werden een van de meest welvarende gebieden in Europa.

Na verloop van tijd werd handel, op een veel bredere manier, de ruggengraat van veel lokale economieën.

Interessant is dat sommige van de vroege kooplieden in het Merovingische Austrasië (België, Nederland, Duitsland) voortkwamen uit de succesvolle slavenhandel.  De katholieke Karel de Grote voelden zich ongemakkelijk bij deze mensenhandel en probeerden dit te ‘reguleren’ door bisschoppen te bevelen deze transacties te controleren. De slavenhandel werd echter snel op een natuurlijke manier verdrongen door de handel in textiel (dit leverde meer winst op).

Karel de Grote beval ook een verbod op de export van wapens.  De Rijnlandse smeden waren ‘wereldberoemd’ en er was een grote internationale vraag naar hun producten.

Langzaam – binnen de meer centraal bestuurde landen – veranderde de ‘natuurlijke’ staat van permanente oorlog in vrede. Onder de ‘koningsvrede’ werd er binnen het Rijk niet gevochten en als gevolg daarvan bloeide de handel tijdens het bewind van bijvoorbeeld de Merovingische koning Dagobert en later onder Karel de Grote. Belangrijke producten waren: graan, wijn, ijzer, lood, militair ijzer, zout, wol en vele andere goederen.

De regio tussen het stroomgebied van de Seine en de Rijn werd de vroege economische motor van Europa, het waren de Friezen die in de vroege middeleeuwen de rivierhandel domineerden.

Kort na de ineenstorting van het Karolingische Rijk zwakte deze vroege economische groei echter weer af.

De komst van regionale marktplaatsen

Saint Denis – Parijs – 2015

 

Een belangrijke economische gebeurtenis vond plaats onder het bewind van de Merovingische koning Dagobert I (overleden in 639). Sinds de kroning van Clovis was er een sterke band tussen de Merovingen en het klooster van St Denis bij Parijs. De monniken hier leefden onder de kloosterregels van Sint-Maarten maar zij profiteerden niet van de voorrechten en immuniteiten die werden geboden door de bisschoppelijke structuur van de kerk. Dit in tegenstelling tot de kloosters behorende tot de Benedictijnse orde.  Dit zou een rol hebben gespeeld in het verstrekken, door Dagobert aan het klooster van St Denis, het voorrecht om een jaarlijkse kermis (jaarmarkt) te houden om daardoor een stabieler inkomen te bieden voor de gemeenschap van zowel religieuzen als leken verbonden aan dit klooster.

Deze steun en de ondernemersgeest van deze hechte gemeenschap maakten van deze jaarmarkt – hoogstwaarschijnlijk – het eerste grote handelsevenement in Noord-Europa. Dit stimuleerde de Friezen ook om hun handelsvaardigheden en hun bereik verder te ontwikkelen.

Ondanks het initiatief van Dagobert in St Denis hielden de Merovingen vooral vast aan hun traditionele vorm van welvaartscreatie: hun jaarlijkse plundertochten. De zuidelijke delen van noordwest Europa waren in de 7e eeuw nog redelijk gemakkelijke plundergebieden voor de krijsheren; maar de hoogtijdagen van deze oude Germaanse tribale tradities liepen echter duidelijk ten einde.

Pepijn de Korte (als de eerste Karolingische koning) bevestigde de privileges van St Denis in 753. Hij beval ook de invoering van specifieke marktdagen in andere bisschoppelijke steden die dergelijke activiteiten nog niet hadden georganiseerd.

Zijn doel was om tijden en plaatsen vast te stellen waar commerciële transacties konden worden gecontroleerd, waardoor de schatkist werd verrijkt met de verschillende belastingen, vervoersrechten en tolheffingen die op deze plaatsen en op deze evenementen op een eenvoudige manier konden worden geheven. Markten groeiden uit tot regelmatige evenementen, die steeds grotere aantallen kopers en verkopers aantrokken. Koningen, hertogen, graven en andere heersers toonden allemaal een grote (financiële) interesse in deze commerciële activiteiten. Inventarissen en audits van marktsteden werden regelmatig uitgevoerd om illegale bijeenkomsten te elimineren en de regelgeving te waarborgen. Bisschoppen, abten en graven raakten allemaal betrokken bij deze voorschriften om hun aandeel van commerciële activiteiten veilig te stellen. Deze inmengingen vormden een ernstige belemmering voor een efficiënt economisch systeem. Schepen die goederen vervoeren, zouden gemakkelijk op een tiental plaatsen tol en contributie moeten betalen; dit verhoogde natuurlijk aanzienlijk hun kosten, maar nog verontrustender was het feit dat bij deze tolheffingen aanzienlijke vertragingen optraden vanwege de inspecties die soms het lossen van de goederen vereisten en de verplichting om lokale schepen te gebruiken voor het volgende deel van de reis.

Niettemin leidde de opkomst van de handel tot een onmiddellijk succes van deze vroege markten en Karel de Grote moest een capitulaire verklaring afgeven waarin de boeren werden aangespoord hun tijd op marktplaatsen niet te verspillen (op de kermis of in de herberg).  Veel van dergelijke waarschuwingen met betrekking tot markten en beurzen zijn uitgegeven in de loop van de volgende duizend jaar. Het is niet voor niets dat de connotatie met jaarmarkten niet alleen maar economisch is, maar evenzeer te maken heeft met vermaak en feesten. Het is duidelijk dat dat vanaf die begindagen het geval was.

Onder haar stadsprivileges mocht Oss een wekelijkse markt houden, deze was op dinsdag (een zaterdagmarkt werd later toegevoegd, maar deze bleef altijd van minder belang). Na meer dan 600 jaar bestaan beide markten nog steeds en zullen er duizenden van dergelijke voorbeelden in heel Europa zijn. Enkele van deze noordelijke beurzen werden van internationaal belang: Lyon, Wenen, Krakau, Frankfurt, Antwerpen, Gent, Brugge, Bergen-op-Zoom.

Handelsbescherming en handelsprivileges

Om de handel te stimuleren, werden specifieke privileges ontwikkeld door de Karolingische koningen:

  • Onder de ‘koningsvrede’ bood Karel de Grote redelijke voorwaarden voor langeafstandshandel.
  • In 828 vaardigde Louise de Vrome een capitulare uit om de bescherming te verzekeren van internationale kooplieden die handeldreven aan het hof.
  • Een van de eerste internationale vrijhandelsovereenkomsten werd in 840 ondertekend tussen koning Lothar I en de stadstaat Venetië, waardoor kooplieden in heel Noord-Italië vrij konden reizen.

Deze opkomende economische ontwikkelingen hadden echter meer nodig dan deze ondersteunende privileges.  Meer en betere vraag- en aanbodbeheersystemen en een reeks nieuwe economische vaardigheden waren nodig om de economische duurzaamheid op langere termijn te waarborgen. Het waren de kooplieden in deze steden in plaats van de adel (landeigenaren) die een leidende rol begonnen op zich te nemen in deze nieuwe economische richting.

De adel had meestal hun machtsbasis op het platteland, waar ze hun gronden bezaten en als zodanig raakten ze nooit serieus betrokken bij de economische activiteiten; omdat deze geconcentreerd waren in de opkomende steden. Zoals hierboven vermeld, opende de handel op basis van hun privileges interessante belastingmogelijkheden voor landeigenaren – over welke domeinen deze goederen moesten worden vervoerd. Zowel de oude Romeinse wegen als de rivierwegen werden gebruikt om steden als bijvoorbeeld Dorestad, Marseille, Bordeaux, Corvey, Calais, Rouen, Parijs, Gent, Maastricht en Narbonne met elkaar te verbinden.

Maar de echte waarde van handel is ingebed in de activiteit zelf.  Handel creëert rijkdom en rijkdom creëert politieke macht en al snel werden de steden steeds machtiger en dit trok op haar beurt – althans voor de volgende eeuwen – de macht weg van de adel. De vroege steden en dorpen die enig regionaal belang hadden, misschien omdat ze lokale vestingwerken bezaten of vanwege de link met een van de vele opkomende kloosters werden de eerste handelsnederzettingen en vaak ook regelmatige locaties voor beurzen en markten. Enkele goede voorbeelden van deze ontwikkeling zijn te vinden in Vlaanderen al in de 9e eeuw, steden als Sint-Omaars, Brugge, Gent en Kortrijk behoorden tot de vroegste nederzettingen die zich ontwikkelden tot handelsplaatsen. Al snel begonnen de steden hun eigen regels voor de bedrijfsvoering vast te stellen, met een groeiende koopmansklasse waren ze veel beter uitgerust om hun economie te beheren dan de adel.

Ook buiten de stadsmuren vestigden zich steeds meer commerciële centra, verschillende van deze zogenaamde ’emporiums’ of ‘portus’ werden langs de Schelde gevestigd, waaronder een bij Ename. Deze plaats is ook belangrijk in de ontwikkeling van de geschiedenis van Brabant.

Site van het fort van Ename aan de Schelde

 

Het einde van de vroege middeleeuwen

Zoals we hierboven zagen, was het pas vanaf ongeveer de 11e eeuw dat in Europa, cultuur, kennis en de economie weer vooruitgang begonnen te boeken. De invasies van de Vikingen, Magyaren en Alanen waren gestopt. Een ander element dat veel heersers gedurende grote delen van deze periode had beziggehouden, waren de vele ketterijgeschillen en de daaromheen hangende onderlinge strijd. Tegen het einde van deze periode was dit weggeëbd, maar zoals we later zullen zien zou dit weer flink toenemen.

Het einde van het Vikingtijdperk – Bootbegrafenis – Viking World Museum Njardvik, IJsland – 2018

 

Zoals gezegde, het klimaat werd warmer, wat zorgde voor hogere opbrengsten vooral ten noorden van de Alpen en dit leidde tot een bevolkingsexplosie.

Het christendom had ook een positief effect op de samenleving, het zorgde voor een politieke en culturele eenheid, evenals voor administratie en bestuur en langzaam kunnen we de tekenen van beschaving weer terugkomen.

Ook de kruistochten speelden hierin een sleutelrol natuurlijk was het op zich al indrukwekkend dat het continent in 1095 een pan-Europees leger bij elkaar wist te brengen dat Jeruzalem wist te veroveren. Maar veel belangrijker is dat deze ontwikkelingen ook hebben bijgedragen aan het herwinnen van de lang verloren kennis van de Grieken en Romeinen; dit werd herontdekt dankzij Arabische filosofen, wetenschappers en leraren.  Handel was een ander neveneffect van de kruistochten, evenals de vroegste vorm van toerisme en internationale geldoverdracht (Tempeliers).

Trani Kerk van Ognissanti (kapel van een Tempeliers ziekenhuis) – 2014

 

De staatsvorming begon zich nu ook meer te ontwikkelen vooral in Spanje, Engeland, Frankrijk en Duitsland. Italië nam haar functie als bakermat voor culturele ontwikkelingen weer op.

Na deze periode zien we een snelle expansie van Europa en haar economie en tegen 1500 begon Europa de rest van de wereld te koloniseren.

Terug naar toen dit allemaal begon in onze regio, de laatste dag van het Romeinse Rijk in deze streken. Romeinen verlieten de regio definitief in 402 en de controle was in feite in handen van de geromaniseerde Germanen. De kerk vulde het administratieve vacuüm op en werd de machtigste politieke macht. Voor onze regio was de doop van de Merovingische koning Clovis in 500 in Reims is een belangrijke datum in dit verband. Missionarissen volgden en brachten het katholieke geloof naar de plattelandsbevolking.

Kathedraal van Reims – 2006

 

De wisselwerking tussen deze drie elementen (Romeinen, Germanen, Kerk) leidde tot het ideale doel van die periode; één homogene wereld, één religie, één kerk en één keizer. Dit ideaal werd gedurende de middeleeuwen voortdurend nagestreefd.

Sommige filosofen uit de late Oudheid waarschuwden tegen de monolithische (christelijke) benadering, met name Plotinus en zijn leerling Porphyr en in het algemeen de neoplatonisten. Hun duistere kijk op de dingen die zouden gaan komen na de val van Rome resulteerde ook in de naam dat deze periode kreeg: de ‘Donkere Middeleeuwen’.

Waar ze gelijk kregen was de ineenstorting van de Romeinse cultuur. Zonder de integriteit van het Rijk was er niet langer de vrije uitwisseling van kennis en cultuur en zoals gezegd stortte de economie in. Ook de geletterdheid nam af en al snel bleef dit beperkt tot een handvol hoge kerkelijke functionarissen. Volgens hen bevatten de kerkelijke geschriften alle kennis, dus seculier ontwikkeling was niet langer nodig, of nog erger niet langer gewenst. De geletterdheid onder de opkomende aristocratie was slecht en ze waren afhankelijk van geestelijken, die op grote schaal werden ingezet aan de verschillende Frankische hoven.

Misschien wel een van de ernstigste gevolgen van de culturele ineenstorting en de daaruit voortvloeiende beperkte voortzetting binnen een steeds meer dogmatische Kerk, was dat dit het einde van de rede betekende, althans m.b.t. alles dat niet religieus was, geloof, vertrouwen en berusting in het lot waren de mantra’s van de kerk.

Aan de andere kant hielp de kerk met het voortbestaan van de Romeinse (en Griekse) structuren waarin de middeleeuwse administratieve en politieke systemen zich ontwikkelden, evenals de handel. En langzaam maar zeker kwam ook onderwijs en zorg weer tevoorschijn.

Het is moeilijk om deze hele periode van de Middeleeuwen op te splitsen, maar over het algemeen worden drie perioden erkend.

  • De Vroege Middeleeuwen – de langdurige overgang van de Oudheid naar de Middeleeuwen
  • De Hoge Middeleeuwen – ook wel het verlengde 12e eeuw genoemd; en
  • De late middeleeuwen – met geïnstitutionaliseerde bestuur bureaucratieën en het monetariseren van economieën

 

De Merovingische en Karolingische periodes zijn een integraal onderdeel van de vroege middeleeuwen, maar vanwege hun op zichzelf staande geschiedenissen heb ik ze ook afzonderlijk behandeld.

 

De geschiedenis van Oss in het bredere historische verband