Saliërs, Franken en Merovingen  – periode 250 – 750 nChr.

 

Alhoewel relatieve laatkomers in de migratie periode, de Saliërs (Salii) waren een van de meest succesvolle Germaanse stammen. Ze begonnen vorm te geven aan wat het moderne West-Europa zou worden. Recentelijk archeologisch onderzoek geeft aan dat ook in onze streken – langs de Maas – dit wel degelijk het geval is geweest. De geschreven bronnen zwijgen echter over wat er in onze streken nu precies heeft plaats gevonden.

De Saliërs kwamen waarschijnlijk uit een gebied ten oosten van de rivier de IJssel (Isala) in wat nu Nederland is (dit betekende in het oud-Frankisch hoogstwaarschijnlijk beek, water en sala=vies). Deze regio heet nog steeds Salland. De zeer vroege (Romeinse) verslagen beschrijven de Saliërs als piraten, wat aangeeft dat ze in de buurt van de zee (Zuiderzee) woonden.

Na invasies van de Saksen in 260, in ruil voor militaire diensten, lieten de Romeinen de Saliërs in 297 toe om zich te vestigen op Romeins grondgebied, tussen de Batavii. Ook kregen ze de leiding over de Limes tussen Nijmegen en de zee. Ze vormden allianties met andere stammen die in dit gebied woonden. In de loop van de 3e en 4e eeuw werd deze confederatie van oorsprong verschillende stammen bekend onder de naam: Franken.

De Neder-Germaanse Limes

Nadat de Romeinen vertrokken, werd een groot deel van hun manier van leven en ook de infrastructuur onderhouden. Dit betekende dat er een vrij naadloze overgang was van een door de Romeinen gedomineerde samenleving en cultuur naar een steeds meer Frankische-Germaanse-Gallische cultuur. Binnen deze samenleving vonden de meeste Romeinse instellingen een voortzetting. Met name de Kerk nam veel van de administratieve en juridische functies van de Romeinen over. Het is daarom dan ook dat onze moderne samenleving veel van de kernelementen van deze Romeinse beschaving heeft weten te behouden.

Brabants en niet Hollands de oorspronkelijke taal

De oorspronkelijke taal die in de Lage Landen werd gebruikt, staat bekend als Oudnederlands (Oud-West-Neder Frankisch), die werd gebruikt tussen 500 – 1150, dit later ontwikkelde zich in het Middelnederlands of Diets (1150-1500). Brabants was een van de vijf varianten van Diets en werd gesproken in Brabant, het zuiden van Gelre, Vlaams-Brabant, Antwerpen en Brussel.

In die tijd sprak ongeveer een derde van de Lage Landen Brabants. Deze taal was ook te verstaan door bewoners in Engeland en Duitsland zelfs tot aan de Baltische kust. 

Het Hollands als dialect ontwikkelde zich pas in de 16e eeuw.

Het is zeer waarschijnlijk dat in deze overgang de Romeinse bovenklasse binnen Gallië een invloedrijke rol speelde in dit proces. Dit zorgde er naar alle waarschijnlijkheid ook voor dat ze hun belangrijke posities in de samenleving en het openbare leven en hun rijkdom behielden.

In de loop van de volgende eeuwen was het deze overgang plus de voortzetting van ten minste een deel van de Romeinse instelling en tradities door de kerk en in het bijzonder door haar bisschoppen – ondersteund door de ‘bovennatuurlijke’ krachten van God en de heiligen – die het gebied min of meer bij elkaar hielden.

Claudius Silvanus

Een van de meest succesvolle Franken in het Romeinse leger was Claudius Silvanus, in 352 klom hij op tot de rang van Magister militum (meester van de soldaten), een van de hoogste posten in het Rijk.

 Onder keizer Constantius dreef hij de Germaanse stammen, die Gallië aanvielen, terug over de Rijn. Hij voltooide deze taak door Germaanse stammen om te kopen met de belastingen die hij had geïnd. Zoals gebruikelijk raakte hij ook verstrikt in Romeinse intriges en er was een aantijging dat hij zichzelf in 355 in Keulen tot keizer had uitgeroepen. 

De Salische Franken

 In 358 versloeg Keizer Julianus de Afvallige de Alamanni en de Franken in de Slag bij Tolbiac – bij het hedendaagse Zülpich, niet ver van de Romeinse stad Argentoratum (Strasbourg). Hierdoor kon hij de Romeinse controle langs de noordelijke grens had herstellen. Daaropvolgend verleende hij de Salische Franken (zoals ze bekend stonden) de status van foederati (semi-onafhankelijkheid in ruil voor militaire diensten) Ze mochten zich toen vestigen in Toxandrië (tussen de Schelde en de Maas het grootste deel van het huidige Brabant). Dit land was eerder bewoond door de Eburonen. Hiermee probeerde hij te voorkomen dat meer Germaanse stammen het Romeinse Rijk zouden binnendringen.

In die tijd migreerden de Chamavi (Hamavai) waarschijnlijk vanuit de regio Hamburg naar hun nieuwe land, wat Hamaland (Gelderland – of Gelre in Nederland) werd. Het is zeer waarschijnlijk dat de Saliërs zich ook vermengden met de Frisii, Chamavi en Batavii.

De Franken en de Saksen waren nieuwe groeperingen die gevormd werden door het samengaan van voorheen individuele stammen. Het waren min of meer losse confederaties van stammen met uitgebreide familiegroepen, verwantschappen en religieuze banden. Ze verzamelden zich rond een beroemde leider/edelman, die werd gekozen door de leidende mannen van de stam.  Een van de mythische adellijke leiders was Merovech waarop zij hun dynastie, de Merovingen, baseerde (zie hieronder).

Het belang van hun familiebanden is vastgelegd in de Salische Wet (Lex Salica).

Lex Salica

De traditionele wetten van de Salli werden de basisregels voor de wetten die, in zijn oorsprong, de basis vormen van de meeste wetten die nog steeds in gebruik zijn op het vasteland van Europa.

Daterend uit prehistorische tijden bestreken ze gebieden zoals: erfenis, misdaad, moord, boetes, compensatie voor verwondingen, slaven, diefstal. De vroegste codificatie dateert uit Clovis, ergens tussen 507 en 511.

 Lex Salica werd officieel wet tijdens het bewind van Karel de Grote en dit resulteerde in de verspreiding van deze wetten over heel Europa.

Een van de belangrijkste elementen van deze wet was ‘agnatische opvolging’ waarbij de troon, land of bezit in de mannelijk werd opgevolgd via een zoon, broer, neef of naaste mannelijke verwant. In de middeleeuwen gold deze wet ook voor de erfenis van gewone mensen, vooral met betrekking tot het grondbezit.

 Onder deze regel waren er geen onwettige kinderen, mannen mochten meer vrouwen hebben, maar het was wel een broedplaats voor feodale oorlogen. Deze kwestie zal keer op keer terugkeren tijdens de Merovingische periode.

Langzaam verdwijnt de naam Saliërs en praat me nu over de Franken. De kolonisatie door de Franken van Gallië en delen van Germanië verliep vrij traag. Tegen het midden van de 5e eeuw waren er drie enclaves van waaruit ze verder groeiden:

  • Nederrijn (IJssel), Utrecht en de Veluwe
  • Het Maas – en Moezeldal
  • Doornik

Een vierde gebied, rond Reims, werd later toegevoegd.

Langzaam begonnen de fundamenten van hun samenleving te veranderen van een reeks machtige mannen die hun rijkdom baseerde op macht en plundering naar een die van machtige mannen die dat baseerde op landbezit. Informele bestuursstructuren begonnen te ontstaan, gebaseerd op groepsverband en de bescherming die werd geboden door de familiebanden, verwantschappen en in toenemende mate de christelijke religie.

De gewelddadige inslag van de plunderende Franken werd echter voortgezet in de regering van de Merovingen, vooral in de periode na de dood van Clovis bereikte dit geweld een hoogtepunt.

De Merovingische koningen verloren hun macht aan de meiers en verloren hun haar in dat proces.

De winnende stamleiders begonnen zich langzaam maar zeker koningen te noemen en op basis van erfgoed en de bloedlijn werd dit onder de Christelijke religie gezien als een benoeming door God, koningschap werd zelf een sacrament. Tribale tradities werden ook doorgezet in het koningschap, belangrijke attributen waren lang haar en het ronddragen van de koningen in houten rijtuigen. Het lange haar was belangrijk en er zijn situaties in de gewelddadige geschiedenis van de Merovingen waar de dood door het zwaard de voorkeur kreeg boven het knippen van hun haar. Later, door het christendom, kwam daar ook geestelijk leiderschap bij.

Klik hier voor een overzicht van de Merovingische Koningen (in het engels).

Oorlogsleiderschap, de opeenstapeling van schatten en polygamie waren andere tradities die teruggaan tot hun heidense oorsprong.

De koningen waren nog steeds afhankelijk van hun volgelingen en hun loyaliteit vereiste voortdurende nieuwe schenkingen. Dit was nog geen tijd waarin oorlogen werden uitgevochten om politieke redenen, het doel was om plunder te vergaren. Later werd plunder vervangen door land en zoals we zullen zien zal dat leiden tot een ondermijning van de positie van de koning.

Landen geregeerd door krijgsheren

De Germaanse stammen brachten een samenleving met zich mee die gebaseerd was op het vergaren van rijkdom door middel van buit. Hun jaarlijkse lente- en zomer plundertochten – om deze buit te verkrijgen – was een normaal onderdeel van het leven en de hogere klasse van de samenleving sloot zich aan bij deze jaarlijkse evenementen. Dit was ook gekoppeld aan het verplichte systeem van het geven van geschenken, dat teruggaat tot nog veel vroegere tijden toen het delen van voedsel en andere hulpbronnen een kwestie van overleven was. In tribale tijden werden geschenken gebruikt als beloning voor diensten en werden door het stamhoofd uitgegeven. Schenkingen door de lagere ‘adel’ en andere stamhoofden werden ook gebruikt om gunsten te verkrijgen van machthebbers. Het maatschappelijke belang van deze geschenken kwam ook tot uiting in de cultuur van die periode uitgedrukt in prachtige sieraden (Brioche van Dorestad in het Rijks Museum van Oudheden in Leiden) en rijkelijk versierd servies en religieuze voorwerpen ( Gundestrup ketel), soortgelijke decoraties en symbolen werden herhaald in boekwerken (Book of Kelts) en architectuur (Karolingisch).

Middeleeuws  stadswapen van Oss

Beslissingen over plundertochten, rechtspraak en andere belangrijke zaken werden genomen op de jaarlijkse bijeenkomsten van de vrije mannen van de stam/ het land (bijeenkomsten die bekend stonden als thing of ding); een traditie die zich tot in de vroege middeleeuwen voortzette. Vaak op een ‘heilige’ plaats zoals onder een oude eikenboom in een bos, bij een meertje. Het was op deze momenten dat de heersers aan de vergadering moesten bewijzen dat ze het recht op absoluut gezag over politiek, justitie, wetgeving en militaire zaken verdienden. Dit banrecht stond bekend als de ‘bannum’, deze traditie werd in sommige Europese landen tot ver in de moderne tijd voortgezet. Slaat de boom in het wapen van Oss op zo’n heilige plaats?

Met nieuwe landen en veel buit in de begindagen na de ineenstorting van het Romeinse Rijk waren veel zonen en broers in staat om hun eigen plunderende partij op te zetten en snel hun gedecentraliseerde systeem op te zetten op basis van hun eigen (lokale) bevoegdheden. Binnen een paar honderd jaar was Europa een lappendeken van lokale krijgsheren, die zich dan weer ontwikkelden tot de Merovingische en Karolingische adel.

Ook elders in Europa was het zomerse plundersysteem goed verankerd zoals in de cultuur van de Scandinavische stammen (de beruchte Vikingen) en de clans in Ierland en Schotland.

Een dergelijke cultuur was echter niet erg bevorderlijk voor economische groei, omdat in principe niemand die in deze landen woonde veilig was, zodra iemand enige welvaart had opgebouwd door landbouw of handel, werden ze een belangrijk doelwit voor invallen.

Vroege vormen van staatsorganisatie

Clovis werd de stichter van de Merovingische dynastie die de volgende 250 jaar de dominante heersers van Europa bleef. Pas toen hij aan de macht kwam, zien we een nieuwe trend ontstaan in de richting van de centralisatie van de macht, maar dit is in deze periode nooit volledig tot stand gekomen, in plaats daarvan concentreerde centralisatie zich rond drie regio’s: Austrasië, Neustrië en Bourgondië. Oss zou in de regio Austrasia (zij het aan de grens) zijn gevallen.

Als de meest succesvolle krijgsheer van zijn tijd was Clovis in staat om de minder krachtige krijgsheren aan hem te onderwerpen en zolang hij overwinningen leverde (en schenkingen deed) hield hij deze krijgsheren onder controle. Door intriges en huwelijken werden de relaties tussen de verschillende families in stand gehouden.

Zo ontwikkelden de Merovingen zich snel tot de op een na grootste macht in Europa, naast het Romeinse Rijk dat nu werd geregeerd vanuit Constantinopel en later bekend werd als het Oost-Romeinse of Byzantijnse-rijk. Hier vond de Romeinse samenleving zijn vervolg. De inwoners bleven zichzelf Romeinen noemen.

Gekoppeld aan de opkomende centralisatie van de macht was er behoefte aan een bureaucratie. Deze was nodig om voor het bijeenbrengen en behouden van ressources, zowel over het land en de productie ervan als de koninklijke schat.

In de begindagen werd plunder echter nog steeds gezien als een van de belangrijkste elementen van het vestigen van de macht. En de koninklijke schat werd tijdens hun traditionele jaarlijkse oorlogen meegedragen.

De administratieve ondersteuning werd in principe geleverd door de geestelijkheid die werd opgeleid in het groeiende aantal kloosters. Zij waren degenen die begonnen met het implementeren van organisatorische en administratieve structuren die een grote bijdrage hebben geleverd aan de economische en sociale ontwikkeling van het gebied. De vraag is in hoeverre de administratieve arm reikte in de grensgebieden langs de Maas. De kern van het Merovingische rijk lag veel zuidelijker, in Noord-Frankrijk en België. De belangrijkste Merovingische stad in Nederland was Maastricht.

Maar, grafvondsten in de noordelijke regio, duiden wel op een Merovingische invloed.

Er zijn onopgeloste argumenten over het belastingstelsel. Sommige historici beweren dat overblijfselen van het vorige Romeinse bestuurssysteem werden gebruikt en dat dit systeem wellicht tot ver in de 10e eeuw standhield.  Het latere belastingstelsels heeft inderdaad elementen van h oude Romeinse belastingstelsel ‘munera’. Het ging om verplichte openbare diensten (betalingen in natura) en betalingen in goud. Anderen concluderen echter dat er een discontinuïteit is tussen het Romeinse en het Merovingische belastingstelsel.

Rijkdom werd van nu af aan meer en meer  gemeten in grondbezit en het was ‘land’ – en het gebruik ervan – dat de Merovingische economie draaiende hield.

Het is onder het Merovingische bestuur dat steden als Gent, Brugge, Antwerpen, Doornik, Kortrijk en Valenciennes zich begonnen te ontwikkelen van lokale bolwerken, religieuze plaatsen en boerengemeenschappen tot economische eenheden.

Naast landbezit werd, onder de krachtige invloed van missionarissen, religie al snel een ander belangrijk politiek wapen van de Merovingische adel.

De Romeinse instituten veranderden in kerkelijk instituten. Het Katholieke geloof bood de krijgsheren de mogelijk om ‘legaal’ hun landbezit uit te breiden in gebieden waar het Katholieke geloof zich nog niet gevestigd had. In het veroverde land kon de Kerk zich vestigen en haar macht uitbreiden.

De reden die werd gegeven was dat de redding van de ziel zou leiden tot een hemels hiernamaals en dat mocht je de ‘heidenen’ niet onthouden, goedschiks of kwaadschiks. Hoe meer monniken beschikbaar waren om te bidden, hoe meer kans er ook  was op de redding van de ziel van de koning en zijn familie. Tijdens de Merovingische tijd werden meer dan 100 kloosters gesticht in hun gebied.

Barbara Rosenwiein beschrijft dit als volgt: “Net zoals tegenwoordig elektrische bedrading, wegen en bruggen worden beschouwd als onderdeel van de essentiële infrastructuur van de staat, zo werden religie en landbezit in de vroege middeleeuwen als essentieel beschouwd voor het goed functioneren van de samenleving.” [2. Barbara Rosenwein, Onderhandelingsruimte, 1999].

De kloosters speelden een sleutelrol in de ontwikkeling van zowel religie als landbouw en daarmee in de samenleving en de economie in het algemeen.

Misschien gedreven door de veel moeilijke ontginning van de gronden in Noordwest-Europa, in vergelijking met die rond de Middellandse Zee, waren innovaties nodig om de landbouwproductie in deze regio te verbeteren. Dit vond plaats binnen de structuur van het Merovingische Rijk en haar opkomende kloosters. De Romeinse economie was gebouwd op goedkope arbeid (slaven) en dit was geen stimulans voor technologische innovaties. De Merovingen hadden niet deze luxe (of althans in veel mindere mate).

Het drieveldensysteem deed zijn intrede zowel als de Chinese keerploeg deze laatste was zeer geschikt voor het bewerken van de veel zwaardere klei in onze gebieden.

Meer productie resulteerde in overschotten, die op hun beurt rijkdom creëerden en die de Merovingen in staat stelden hun macht te vergroten. De cavalerie – ‘uitgevonden’ door Keizer Justinianus’ generaal Belisarius – werd nu ook ingezet door de Merovingen. En net als de ontwikkelingen in het oosten begonnen krijgsheren beloond te worden met land in plaats van buit.

Niettemin zouden de Merovingische koningen, hun broers en zussen en hun ondersteunende adel gedurende hun 250-jarige geschiedenis elkaar blijven bevechten.

Austrasië, Neustrië, Bourgondië

Het is nu voor het eerst dat we Europese gebieden beginnen te zien zoals gedefinieerd door hun geografische namen. De twee gebieden die de belangrijkste rol speelden in de Merovingische en Karolingische geschiedenis waren Austrasië en Neustrië. Deze regio’s waren echter cultureel, etnisch en taalkundig verschillend. Bourgondië werd later aan het gebied toegevoegd, maar bleef ook grotendeels gescheiden van de andere twee

Austrasië

Positie van Austrasia

Het koninkrijk Austrasië werd opgericht door een krijgsheer/nobelman van Romeinse en Germaanse afkomst die de voormalige Romeinse provincies Belgica Prima (hoofdstad Trier), Germania Prima (hoofdstad Mainz) en Germania Secunda (hoofdstad Keulen) en het oostelijke deel van Belgica Secunda (hoofdstad Reims) overnam. Sporen van de Romeinse beschaving bleven bestaan en later werden enkele van de belangrijkste steden de vroege bisschoppelijke zetels (Mainz, Speyer, Worms, Verdun, Maastricht, Trier, Metz).

De naam Austrasië (= noordoosten) ontstond toen het na de dood van Clovis werd afgesplitst van de Frankische Dominions.

Het strekte zich uit van Reims in het westen tot de bovenste vallei van de rivier de Weser in het oosten. De noordelijke grens begon bij de monding van de Maas en de Rijn, tot aan de bovenloop van de Maas en de Moezel, op het plateau van Langres.

Het koninkrijk werd verder uitgebreid over het Rijndal dat grenst aan de gebieden Thüringen, Allemannia en Beieren.

De regio was duidelijk Germaans met als hoofdstad Metz. 

Neustrië

Dit koninkrijk Neustrië (= noordwesten) ontstond toen het na de dood van Clovis werd afgesplitst van de Frankische Dominions en bestond uit de regio’s van Aquitanië tot het Kanaal, waarin ook het grootste deel van het noorden van het huidige Frankrijk werd ingelijfd met Parijs en Soissons als belangrijkste steden. De regio besloeg het gebied ten zuiden van het Rijndal tot aan het Loire dal.

De regio was duidelijk Gallisch/Frankisch en de hoofdstad werd Parijs.

 De namen van deze twee landen verdwenen langzaam tijdens de volgende Karolingische periode.

Bourgondië

Verdag van Verdun

In 534 veroverde Chlothar I Bourgondië.  Onder Guntram (561-592) werd een nieuw koninkrijk gesticht, maar dit duurde niet lang.  Toch bleef Bourgondië een onafhankelijke regio onder de Merovingische koningen.

In de Karolingische periode zorgde het Verdrag van Verdun (843) ervoor dat de grens tussen Oost- en West-Francië en ook Bourgondië in tweeën werd gesplitst, het oude hertogdom Bourgondië viel in West-Francië en de rest in Oost-Francië.

Zwitserland was hier ook een onderdeel van maar ontgroeide zijn Bourgondische wortels, belangrijke delen van dit land kwamen uit het Graafschap Bourgondië.

Wat voor onze regio voor belang is dat nadat de laatste hertog van Bourgondië Philippe de Rouvres in 1361 onverwacht overleed, zonder erfgenamen achter te laten, kwam het hertogdom in handen van de jongste zoon van de Franse koning Johan II, Filips de Stoute. Het verhaal van de Bourgondiërs verhuist nu naar het Hertogdom van Bourgondië.

Merovingische Pagi

Positie van Toxandria

Het Romeinse administratieve systeem van pagi (gouw/gau) vond zijn voortgang onder Merovingische heerschappij en veel van deze

geografische gebieden lijken zelf nu nog sterk op het oude Romeinse systeem. Ze volgden vaak natuurlijke grenzen en zijn hoogstwaarschijnlijk ook beïnvloed door de tribale landen van de Germanen en de Galliers die hier in die periode woonden. Tijdens de Karolingische periode werden graven benoemd als de administratieve heersers van een pagi, opnieuw volgens de Germaanse tradities zullen deze eerste graven de leiders zijn geweest die door hun collega’s werden gekozen. De titel van graaf was in dit stadium niet erfelijk.

De meest waarschijnlijke pagi dat relevant is voor Oss is Toxandria.  Maar de pagi van de Neder-Betuwe kan ook belangrijk zijn geweest.

Positie Oss (mid onder) ten opzichte van de Betuwe

 

Waarschijnlijk hadden de plaatselijk krijgsheren hier meer macht. Het noorden van Toxandria bleef lang een min of meer achter gebleven gebied. De latere oorlogen tussen Gelre en Brabant (tussen de Betuwe en Toxandria) die ten deel werden uitgevochten in de omstreken van Oss kunnen daar misschien nog mee te maken hebben gehad.

De Nederlandse naam  gouw en het  Duitse gau worden gevormd uit het laatste deel van het enkelvoud van pagi, pagus. De Franse Pays is ook afgeleid van pagi en de meeste Franse pays zijn nog steeds min of meer hetzelfde als de oude pagi.

In de Merovingische tijd zagen de mensen die in deze gebieden woonden zichzelf nog steeds als onderdeel van een verwante, tribale groep met ‘contractuele’ regelingen voor de onderdanen/leden van de groep. De dagelijkse invloed vanuit het Merovingische machtsgebied was zeer gering.

Als we het hebben over Franken, Bourgondiërs, Anglen, Saksen, Goten, etc. deze groeperingen waren toen nog geen politieke eenheden.  Pas vanaf het begin van de achtste eeuw zien we dat deze groepen langzaam ook als politieke entiteiten worden gezien. De samenleving begon zich meer te organiseren rond sociale groeperingen, in plaats van stam en verwantschap. Een proces dat – in ons deel van de wereld – pas in de 14e eeuw werd afgerond.   [5. De Middeleeuwen begrijpen, Harald Kleinschmidt,2000, p109, 114]

Zoals we echter zelfs in de moderne tijd zien, blijven verwantschap en groepsbewustzijn bestaan binnen de ontwikkelde economieën in Europa en elders; vooral in sommige van de meer landelijke en regionale gebieden. Op politiek niveau en vooral in steden zijn sociale groepen echter geleidelijk de domineerde groepering geworden, gebaseerd op hoe de mensen zichzelf zien en niet waar ze vandaan komen.

Brabant op de grens van het Merovingische Rijk

Tijdens de turbulente derde eeuw , stortte de agrarische en handels economie in het noordelijke gebied van het Romeinse Rijk ineen. In Oss werden de boerennederzettingen  – die er al 2000 jaar bestonden – maar onder de Romeinen waren uitgegroeid grotendeels verlaten.

Er zijn ook aanwijzingen dat waterstanden sterk waren gestegen waardoor bewoning in de poldergebieden hier niet meer haalbaar was. Verder werd de regio in 275 getroffen door een ernstige pestepidemie, misschien samenvallend met de verwoesting door oorlog? Het blijft een raadsel wat er gebeurde met de mensen die er ooit woonden, of ze met de Romeinse troepen zijn gevlucht, was er sprake van grootschalige moord, was het de pest, niemand weet het.

In minder dan 15% van de nederzettingen die tijdens de Romeinse periode werden bewoond, toont archeologisch bewijs van enige voortzetting van de landbouwactiviteit, opnieuw meer langs de rivier de Maas (Macharen, Lith, Teeffelen, Grave, Heusden) dan elders. In Oss lijkt het erop dat de mensen die bleven verhuisden naar de Heuvel (een 6 meter hoge heuvel) van waaruit de middeleeuwse stad begon te groeien; slechts iets ten zuiden waar de oude nederzettingen stonden. Dit zou erop kunnen wijzen dat er inderdaad klimaatveranderingen hebben plaatsgevonden die mensen dwongen om naar hogere gronden te verhuizen. Het is onzeker hoeveel er van de oorspronkelijke bewoners weg trokken en hoeveel er nieuwkomers waren? Het feit dat veel van de plaats- en veldnamen in gebruik bleven, zou erop kunnen wijzen dat er op zijn minst enige voortzetting is.

Toch bleef Brabant in de periode 250-500 aanzienlijk ontvolkt. Het leven ging terug naar neolithische leefomstandigheden met opnieuw nederzettingen niet veel groter dan een of twee vrij kleine boerderijen, met slechts een paar runderen.  De boerderijen waren slechter dan die uit het Mesolithicum, Bronstijd en Romeinse tijd.

Merovingisch rijengraf Vrijthof, Maastricht

Een iets betere indicatie van de situatie in deze regio begint zich rond 550/600 af te tekenen. Inmiddels was de Salli/Frankische cultuur goed en wel overgenomen en/of gevestigd. We kunnen dit concluderen uit de typisch Frankisch-Merovingische begrafenisrituelen. Begraafplaatsen uit deze periode tonen grote aantallen graven in rijen en ze omvatten een reeks geschenken, waaronder wapens zoals het korte zwaard, de sax (waar de naam Saxon vandaan komt). Een deel van de doden is begraven in doodskisten.  Tegelijkertijd lijkt de crematie in een minderheid van de gevallen ook door te gaan. Deze traditie heeft een eeuw geduurd waarna deze mensen weer uit het archeologische beeld verdwijnen. In Brabant zijn deze rijengraven gevonden op de zandgronden die na 275 totaal verlaten leken te zijn. Zoals in Meerveldhoven, Geldrop, Bergeijk, Veldhoven, Westerhoven, Hoogeloon, Dommelen, Ravenstein, Escharen, Nistelrode en Alphen. Ze lijken niet veel langer dan 100 jaar bezet te zijn geweest [6. Onder heide en akkers, Evert van Ginkel en Liesbeth Theunissen, 2009, p229]

Het feit dat veel van de Merovingische nederzettingen zich op de hogere gronden bevinden, geeft ook aan dat de hoge grondwaterstanden het moeilijker hadden gemaakt om boerderijen in de lagergelegen gebieden te vestigen, opnieuw een aanwijzing dat klimaatverandering een invloed zou kunnen hebben gehad tussen 250 en 800.

Indrukwekkende artefacten van Merovingische krijgers werden gevonden in Ravenstein en Macharen, wat wijst op een voortzetting van de bevolking in de regio rond Oss. Het relatief grote aantal artefacten uit deze periode dat in relatie van ‘oorlog’ kan worden gebracht, sluit goed aan bij de turbulente periode die begon na de dood van het eerste Merovingische stamhoofd Clovis. De zeer zeldzame Merovingische muntschat in Escharen is ook een indicatie van deze opkomende klasse.

Terwijl de oorspronkelijke Saliers deze gebieden vanuit het noorden waren binnengekomen, vestigden ze zich uiteindelijk meer naar het zuiden (Doornik/Doornik en het Rijndal/Metz). De nieuwe kolonisten die rond de 6e en 7e eeuw Brabant binnentrokken, zouden dus hoogstwaarschijnlijk door onze streken zijn getrokken. Langzaam begon hun invloed toe te nemen. Naarmate de plunderschat beperkter werd, begonnen de Merovingische stamhoofden hun krijgsheren in land te betalen. De stamhoofd/koning had zich automatisch eigenaar gemaakt van alle grond dat niet in gebruik was en hij begon dat uit te reiken als een betaling/onderscheiding voor (militaire) diensten.

Om de waarde van het land te verhogen was er ontwikkeling nodig en boeren werden door deze lokale heren gerekruteerd om dit te doen; eerst waren ze vrije boeren, maar in toenemende mate werden ze tewerkgesteld en later werden ze ‘eigendom’ (lijfeigenen) van de krijgsheren. He aantal krijgergraven begint toe te nemen vanaf 650/700, wat wijst op lokale oorlogen gericht op uitbreiding van hun grondgebied. Steeds vaker raakten de lokale bevolking in grensgebieden zoals langs de Maas en Rijn verstrikt in oorlogen tussen de Merovingers en de Frisii.

We zien christelijke invloeden doordringen in het grensgebied, maar de meeste mensen hielden zich hier nog steeds vast aan hun heidense geloof.

Onder invloed van het christendom was cremeren verboden en dat blijkt uit de opgravingen van de begraafplaatsen na 700. Missionarissen begonnen nu ook in deze regio’s aan te komen. Het kon echter enkele generaties duren voordat het christendom bleef hangen, terwijl tegelijkertijd veel heidense tradities – sommige gekerstend – tot ver in de moderne tijd doorgingen.

Dit is ook de tijd van sinten en relikwieën, die perfect passen in de overgang van heidens naar christendom, een voortzetting van magie.

Frankenbeemd – Oss 

De nieuwkomers vestigden zich hoogstwaarschijnlijk ook in Oss. Uit prehistorische tijden zijn er aanwijzingen dat boeren al sinds de bronstijd aan de noordkant van dit gebied woonden. Tot op de dag van vandaag is er nog een weg genaamd Vranckebeemd (Frankenbeemd). De eerste keer dat deze naam in geschriften wordt gebruikt dateert uit de 14e eeuw: Vranckenbeemde. Ik concludeer hieruit dat deze naam misschien teruggaat naar de migratietijd. Het zou kunnen zijn dat een of meerder Frankische nieuwkomers zich hier als boer vestigden, en dat daarom deze plek als zodanig bekend stond,

Een ‘beemd’ is een naam die in Brabant wordt gebruikt om een graslandeigendom aan te duiden.

Frankenbeemd

Een andere interessant geven is dat in dit gebied de Abdij van Echternach eigendom behield, land dat volgens de legende aan Willibrordus werd geschonken (rond 700), Willibrordus werd zwaar gesteund door de Frankische elite, en het ‘geschenk’ zou heel goed van prominente Franken kunnen zijn geweest die in dit gebied woonden.

Er is een lange discussie geweest over een verwijzing in de Sallian wetten naar ‘Mallobergium Ohseno’, dit is geïnterpreteerd als een mogelijke verwijzing naar Oss. Het zou vertaald kunnen worden naar de malberg van degenen die ossen hoeden. Er zijn meer verwijzingen naar het belang van vee in dit gebied (Romeinse verwijzingen), de heuvel in Oss (Heuvel) had misschien zo’n malberg kunnen zijn – dit is de plek waar de lokale bewoners samenkwamen voor hun ‘Thing’-bijeenkomsten en waar recht werd gesproken.

Als we terugkijken naar de onroerende belastingen (cijnsen) die in Oss door Echternach werd geheven zien we dat deze percelen gelegen zijn in de Frankenbeemd (Ussen, Amsteleind, Katwijk) en rond de Heuvel en op de weg naar de oudste nederzetting 7km ten zuiden langs de Kortfoort (kortste weg). Hoewel sommige van deze eigendommen hoogstwaarschijnlijk dateren uit de Merovingische en Karolingische tijd, dateert het eerste echte bewijs uit 1069 toen paus Alexander II het recht van het klooster in Echternach over bepaalde eigendommen in Oss bevestigt [7. Geschiedenis van Oss, Jan Cunen, 1932, p 21].

Tijdens de late middeleeuwen lijkt het erop dat de meeste van deze eigendommen in gebruik waren bij de Brabantse elite, wat natuurlijk weer logisch is omdat grote delen van ‘kerkgrond’ na de Karolingische periode door de lokale adel opnieuw werden toegeëigend