De nederzettingen van Oss

Oss is een van de nederzettingen die ontstonden op de grens tussen hogere en lagere gronden. De effecten van de bovengenoemde geologische breuk (LINK) creëerde een perfecte omgeving voor deze nederzettingen. De hogere gronden waar Oss ontstond, waren ver genoeg van de Maas om niet continue onder water te lopen. Maar belangrijker was dat deze hogere gronden ook een barrière creëerde voor het water dat (voornamelijk ondergronds) uit de peelmoerassen stroomt en daardoor ontspringen in het landschap als kleine beekjes essentieel voor de vestiging van nederzettingen (wijsten). Bovendien was het gebied dicht genoeg bij de Maas om ook deel te nemen aan de handels- en geschenkennetwerken.

Het feit dat we zoveel van weten over deze prehistorische nederzettingen is omdat de Universiteit van Leiden al in de jaren zeventig is begonnen met archeologische opgravingen. Dit nadat Osse amateurarcheologen bewoningspatronen in de grond hadden ontdekt. Sinds die tijd zijn drie generaties archeologen van deze universiteit bij dit onderzoek betrokken geweest over een periode van 35 jaar. Het is een van de grootste archeologische projecten van Europa. De meeste informatie in deze sectie is te danken aan het werk van deze mensen en de verschillende publicaties die zij hebben uitgegeven.

Vroege boeren gebruikten de hogere zandgronden ten zuiden van het stadcentrum misschien al sinds 3000 v.Chr. en de uiterwaarden van de Maas, sinds rond 2000 v.Chr. De zanderige heuvels tonen ook overblijfselen van jager-verzamelaars kampementen die nog weer eens 3000 tot 4000 jaar teruggaan.

In de nederzettingen ten zuiden van Oss, op het hogere terrein, vonden archeologen bewijs van een jager-verzamelaarskamp uit het   Mesolithicum. Verder vonden ze onder een van de grafheuvels, de resten van twee palen die dateren uit het late Neolithicum (2900-2600 v.Chr.). 1

Hans Joppenberg - burial mound grafheuvel Vorstengraf
Mogelijk dat de naam Hans Joppen is afgeleid van “Hans Jacob”. In de kroniek van het Sint-Geertruiklooster te ’s-Hertogenbosch (tweede helft 17e eeuw) is een melding te vinden dat een ruiter met deze naam in het gebied tussen Heesch en Schaijk terechtgesteld is op de plek waar hij zijn vrouw de keel had doorgesneden: de bekende Hansjoppenberg. Die locatie zou echter ook een andere, nabijgelegen grafheuvel kunnen zijn, op het terrein met de naam Zevenbergen. Daar zijn daadwerkelijk de restanten van een galg gevonden in een oude grafheuvel. Bron: Brabants Erfgoed.

De archeologen suggereren dat het gebied dat gebruikt werd door boeren was misschien een paar honderd meter breed en een kilometer lang, het werd vooral gebruikt voor pastorale activiteiten (schapen).

Een voorzichtige conclusie is dat de culturele veranderingen die zich gedurende deze periode hebben voorgedaan, de lokale bevolking niet hebben beïnvloed, er is zeer weinig bewijs voor grootschalige veranderingen in hun samenleving. Er is ook geen bewijs van invasie of grootschalige migratie, de conclusie is dat de lokale bevolking een aantal van de nieuwe innovaties heeft aangenomen, maar alleen die welke in hun lokale patroon pasten.

De sociale ontwikkeling van de latere dorpseconomie had zijn oorsprong in deze zeer kleine neolithische, bronstijd en ijzertijd gemeenschappen. Interessant is dat in sommige gevallen, vooral in de meer geïsoleerde landbouwgebieden zoals noordoost Brabant, dit zelf zo is blijven bestaan tot in de 20e eeuw. Een boer uit de middeleeuwen of zelfs uit de ijzertijd zou hier begin vorige eeuw makkelijk hebben kunnen rondlopen en veel van de omgeving, de boerderijen en de levenswijze van de mensen herkennen.  Gedurende enkele millennia is er weinig bewijs van status of van significante sociale en economische verschillen tussen de boeren die hier woonden.

Oss – nederzettingen op de zandgronden

Het huidige centrum van Oss – evenals de oudere neolithische gemeenschappen aan de polderrand liggen 7-10km ten noorden van  de  nederzetting op de hogere zandgronden. Tegen het einde van deze periode van technologische innovaties in de landbouw praktijken m.n. dankzij het gebruik van de keerploeg rond het jaar 1000 v.Chr. kwam het zwaartepunt van de landbouw meer aan de noordkant te liggen.

De landbouw begon in deze streek met de ontbossing van de zandgronden want die grond was gemakkelijker te bewerken. Dit zijn de lichtere, hoger gelegen gronden. Terwijl archeologen de nederzetting nog niet hebben kunnen vinden hebben we wel de begraafplaatsen van deze eerste bewoners.

Een gevolg van deze vorm van landbouw was dat na een tijdje de bodem uitgeput raakte en aanzienlijke zandverstuivingen ontstonden die de boeren bedrijven en zelfs gemeenschappen bedreigden. Op de heidegebieden rond Oss, Uden en Herpen zijn er nog verschillende van deze zandverstuivingen.

Zandverstuiving- Sand Drift - Osse Hei
Zandverstuiving op de Osse hei

Het grootste deel van het gerooide land werd gebruikt voor begrazing, er zullen een of twee boerderijen gestaan hebben wellicht met opslagfaciliteiten (spiekers) en andere kleinere constructies.

Archeologen geloven dat de nederzetting van deze mensen net aan de zuidkant van de begraafplaats moet zijn geweest Ze baseren dit op het gebruik van het land, bewijzen van landbouw, ploegsporen en scherven van aardewerk. Echter, tot nu toe is er geen hard bewijs voor bewoning gevonden, wel zijn er duidelijke aanwijzingen voor landbouw en pastorale activiteiten gedurende bijna 3.000 jaar, dus er moeten zeker mensen in de buurt hebben gewoond. Er zijn hier ook twee beekjes (Vinkel AA en de Munsche Wetering) en men zou zich hier niet hebben kunnen vestigen als er geen toegang was tot zoet water.

Deze zandgronden zorgden voor een paar goede jaren van landbouw, gevolgd door een langere periode waar ze gebruikt werden als weidegronden. Prehistorisch landbeheer vond plaats door middel van hakken en branden (slash en burn) technieken en archeologisch onderzoek in het begin van de 21e eeuw bevestigt dat dit ook werd toegepast rond de begraafplaatsen. Pollen onderzoek van de begraafplaats heeft ook aangetoond dat inderdaad een vorm van landbouw had plaatsgevonden, maar dat – veel belangrijker – schapen op het gebied rond de graven hebben gegraasd, misschien zelfs al vóór 2.300 v.Chr. Schapen betekent ook wol, wat zou kunnen wijzen op andere economische die plaatsgevonden zouden kunnen hebben rond die tijd, misschien tussen de lokale gemeenschappen. Men vermoed dat in dit gebied lokale gemeenschappen (boerderijen) ontstonden op ongeveer 5 kilometer afstand van elkaar.

De drie gemeenschappen in de omgeving die voortbestaan tot in de moderne tijd waren Zevenbergen, Vorssel en  Mun. De boerderij Zevenbergen werd omgebouwd tot een herberg toen in 1835 de kasseienweg tussen Nijmegen en Den Bosch werd aangelegd. Deze weg maakt een lichte bocht om zodoende de heuvels te vermijden die op dat moment onbekend waren als grafheuvels, maar ze waren hoog genoeg om het ontwerp van de weg te beïnvloeden.

Een ander interessant punt is dat het erop lijkt dat er een ‘bufferzone van heide was van zo’n 250 meter tussen de begraafplaats en het onontgonnen bos. Een andere conclusie die kan worden gemaakt is dat de mensen dit gebied gerespecteerd hebben en hier dus geen schapen lieten grazen.

De begraafplaats van Oss

In de afgelopen 10.000 jaar hebben we gezien dat er grote verschillen zijn tussen de geografische en geschiedkundige ontwikkelingen in het noorden en het zuiden van de Lage Landen. Verschillende rendierjagers, verschillende landbouwculturen. Dat geld ook voor de bronstijd die we hier wat nader aan het beschouwen zijn. In het zuiden zien we crematies en in het noorden zien we begrafenissen, Oss ligt op de grens en we zien hier zeldzame vormen van beiden.

De necropolis hier bestaat uit drie clusters, nieuwe wegen in dit gebied zijn door de jaren heen door dit gebied aangelegd, zodat de integriteit van de hele necropolis verloren is gegaan. De drie clusters zijn: de graven rond de grootste grafheuvel die van de zogenaamde ‘Vorst van Oss’, het cluster Zevenbergen, vernoemd naar de topografische naam van het gebied en de naburige Hooge (Hoge) Vorssel cluster, iets meer naar het zuiden, vernoemd naar de lokale gemeenschap. Er zullen hoogstwaarschijnlijk meer graven geweest zijn, maar die zullen verloren zijn gegaan tijdens de wegenconstructies, er is ook nog steeds een naburig bos waar misschien nog meer graven zouden kunnen liggen.

Er is nog een grote necropolis in Slabroek (Uden) 2 kilometer hier vandaan, deze bevat ook crematies uit de Romeinse tijd. Hoewel het verleidelijk is om deze begraafplaatsen met elkaar te verbinden, behoorden ze waarschijnlijk tot verschillende familiegroepen, wat is echter duidelijk is dat het gebied een ideale plek was voor de vroege boeren die zich hier vestigden.

The-location-of-Oss-Vorstengraf-left-and-Oss-Zevenbergen-right-Figure-by-S-van-der (1)
Het Vorstengraf links en Zevenbergen rechts. Bron: S van der Vaart

Necropolis Oss

Cultuur Graven Periode
Klokbeker 2 graven 2350-2000 v.Chr.
Midden Bronstijd 3 grafheuvels, 8 begrafenissen – een grafheuvel is twee keer hergebruikt in de late brons- en ijzertijd, een met een dubbele cirkel van palen. Hierop stond de galg met drie begrafenissen (middelbare leeftijd) van criminelen? 1800 – 1300 v.Chr.
Late Brons/Vroege IJzertijd (urnfield) Langwerpige grafheuvel. Graf van een vrouw met giften 1100- 800 v.Chr.
IJzertijd urnfield Geen grafheuvel, 5 graven met crematies. 1100 v.Chr.
Vroege IJzertijd 110 meter lange rij palen (rituele weg?) 800-600 v.Chr.
Hallstatt Chieftain graf Verguld  zwaard,  stitula, paardenbits 600 v.Chr..
Hallstatt Chieftain graf Schräghals  urn, paardentuig (?) 600 v.Chr.

 

4f7b5aae-8663-4edb-9267-83b3a74f74a3 (2)
Grafheuvels op de Osse hei.

De eerste (bekend) Klokbeker begrafenis vond plaats in een gebied dat op dat moment al in gebruik was voor misschien 300 of 500 jaar. En zoals te zien is in de bovenstaande tabel, waren er eeuwenlange hiaten van een vergelijkbare leeftijd tussen het gebruik van het gebied voor nieuwe begrafenissen.

Ik herinner me dat er in Oss het gezegde was: “Ik wou  da  ge  op de  Munse  hei  lâg“. Ik wou dat je op de Mun heide lag. Mensen in en om Oss gebruikten in de 19de en 20ste eeuw (en waarschijnlijk in de eeuwen daarvoor) deze uitdrukking waarbij zij onbewust verwezen naar dit oude en lang vergeten begrafenisgebied. De topografische naam ‘Mun’ is gekoppeld aan het Germaanse woord ‘minnen’, dat volgens de taalkundige experts kan worden gekoppeld aan het eren van de dood. Op de kaart hierboven staat De Mun ook aangegeven.

In de late middeleeuwen (1300-1500AC) stond op een van de grafheuvels de lokale galg en archeologen vonden resten van skeletten met hun handen vastgebonden achter hun ruggen. Hoewel deze begrafenissen minder glamoureus moeten zijn geweest, was deze plek weer verbonden met de dood. In 2012 stuitte de Provinciale archivaris van Noord-Brabant op een kaart waarop deze galg staat. Net buiten het grondgebied van Oss en viel onder de rechterlijke macht van de Heren van Ravenstein.

Galg op de Munsche Hei
Henk Buijks heeft op de kaart aangegeven waar de galg stond.

Lokale begrafenisrituelen

De uitgebreide begraafplaats in Oss dateert van voor de urnenvelden periode. De oorsprong van deze heilige plaats gaat terug tot 2.300 v.Chr. en werd gebruikt tot 500v.Chr., wat neerkomt op een opmerkelijke lange periode van sociale voortzetting zoals hierboven al vermeld.

Tijdens het Neolithicum en tijdens de bronstijd werd minder dan 5% van de bevolking begraven in grafheuvels. Geslacht, leeftijd, familielijn en de positie van de overledene in de gemeenschap waren allemaal belangrijke overwegingen die een rol speelden in hoe die persoon zou worden begraven. Het is duidelijk dat begrafenis in een grafheuvel en de omvang en hoogte ervan aan eer werden verbonden. Het graf van de leider van Oss is met zijn 53 diameters de grootste grafheuvel in de Lage Landen; dus uiteraard was dit een belangrijk persoon. In tegenstelling zien we bij de bewoners op de vlakke polders de doden werden begraven in de buurt van de boerderij of wanneer er meer boerderijen waren (in de Romeinse tijd) in urnenvelden.

Tijdens de Late Bronstijd en de Vroege IJzertijd begon de urnenvelden en de grafheuvels te veranderden in formaat, ze worden meer langwerpiger.

Terwijl het gebruik hiervan teruggaat naar het Mesolithicum, crematies waren hier niet gebruikelijk, de meeste mensen werden begraven, hetzij in een grafkuil of gewoon net onder de bodem, soms op een dierlijke huid of op een laag van planten en bladeren. Toch zijn alle vormen van begrafenistradities hier vertegenwoordigd. In de nederzettingen in en rond Oss zijn er heel weinig grafgiften. Dit terwijl in het Laat-Neolithicum deze praktijk prominenter werd in andere delen van de Lage Landen, het sloeg niet aan in de zuidelijke Lage Landen. Dit is geen indicatie van de rijkdom van de persoon noch van de gemeenschap, het is een indicatie van de lokale begrafenisrituelen. Echter er zijn uitzonderingen, zowel de ‘vorst’ en de ‘prins’ graven (zie hieronder) bevatte rijke geschenken.

Soms zijn er kleine afzonderlijke structuren – ongeveer 2×2 meter – ze bevinden zich dicht bij de grafheuvel, ze bestaan meestal uit 4 palen en lijken erg veel op de graanspiekers in de boerderij nederzettingen. Soms zijn ze verbonden aan de grafheuvel met rijen palen. Ze kunnen functioneren als platforms voor de doden voordat ze werden gecremeerd, het woord heiligdom is ook genoemd als een mogelijkheid.

Zoals reeds vermeld, wijzen de verschillen in begrafenisrituelen op veranderingen in geloof en cultuur die zich in deze periode hebben voorgedaan, maar gedurende deze 3.000 jaar – soms met tussenpozen van enkele honderden jaren – bleef deze necropolis een ‘heilige’ plaats. Het is moeilijk om niet te concluderen dat er een zeer sterk gevoel van verbondenheid was van generaties van boeren met deze plaats. In tegenstelling tot de nomadische jagers-verzamelaars, wilden deze boeren hun band met hun voorouders behouden. Deze band creëerde ook een gewoonterecht m.b.t. tot hun land. Hoewel er geen bewijs is dat mensen uit de Bronstijd een duidelijke etnische identiteit hadden, die hen zou onderscheiden van “anderen”, is het moeilijk om niet te zien dat de mensen die bijna 3.000 jaar op dezelfde plaats begraven werden, geen sterke eigen identiteit gehad zouden hebben.

Hoewel er een continuïteit van de Klokbeker periode naar de grafheuvel periode is, zijn er ook enkele verschillen.

Het bouwen van een grafheuvel

Een van de IJzertijd grafheuvels in Oss heeft een diameter van 53 meter en een hoogte van 3 meter – de grootste in de Lage Landen – en ligt verrezen in een gebied van 200 meter eromheen om de zoden die nodig zijn om de grafheuvel te bouwen te produceren. Dit moet een vrij complexe en arbeidsintensieve activiteit geweest zijn. Eerst moet het gebied worden gerooid, dan moet er een cirkel worden uiteengezet dit werd ofwel gedaan door het graven van een greppel of door het installeren van een cirkel van palen. Van dit grondontwerp werden grafheuvels gebouwd. De fundamentele culturele en religieuze principes achter deze traditie zijn ook te vinden in andere grafheuvelculturen in heel Europa, zoals hierboven vermeld.

Vorstengraf-1024x645
Vorstengraf Oss – gerecontrueerd met palen circles.

Het gebied was ideaal voor de benodigde bouwmaterialen. De zandgrond op de Maashorst maakt podzolisatie mogelijk, ideaal voor de vorming van grondlagen die kunnen worden gebruikt voor de productie van de zoden. De zoden hier zijn vrij dik.

Bij het bouwen van een dergelijk graf zou de hele gemeenschap en misschien die van naburige gemeenschappen betrokken moeten zijn geweest. De zoden moesten worden uitgegraven, dit werd gedaan met steen, brons of ijzeren messen, ze gebruikten ook schoppen gemaakt van hout of gewei. De archeologen hebben berekend dat de 300×300 mm zoden van de graven in Zevenbergen elk zo’n 12 kilo wegen. Nadat ze werden afgestoken werden ze vervoerd naar de (nabijgelegen) heuvel. Een van de grafheuvels in Zevenbergen vereiste een zodenproductie is 2500m². Het is mogelijk dat de productie van de zoden voor grafheuvels dateert uit de vroege bronstijd.

Sommige graven bestonden uit cirkels van palen – zoals we zagen met de grafheuvels in Haps (LINK) dit is een kenmerk van de periode 1.500 – 1.100 v.Chr. – anderen hadden er geulen om heen. Er is gesuggereerd dat niet al deze palen noodzakelijkerwijs een structureel onderdeel van het monument waren, maar dat het zou kunnen zijn gebruikt voor heiligdommen die misschien werden gebruikt voor andere ceremoniële activiteiten als onderdeel van de begrafenisrituelen. De meeste grafheuvels liggen aprox.100 meter van elkaar.

De palen werden geplaatst op ongeveer 75 cm van elkaar, zodat ze niet een beschermingszone of een gesloten omgeving te creëren. Het duidt misschien meer op een overgangszone, hetzelfde zou kunnen gelden voor de geulen. Ze hadden waarschijnlijk een rituele betekenis.

Terwijl het gebied voor het eerst werd onderzocht in de jaren 1930 nieuw meer modern onderzoek werd uitgevoerd op het einde van de jaren 1990. Dat blijkt uit een publicatie van de betrokken archeologen Harry Fokkens en Richard Jansen. Ik heb een aantal van hun bevindingen hierin opgenomen.  2.

Zoals hierboven vermeld, is de situatie in Oss vrij uniek omdat we een combinatie van verschillende begrafenissen hebben. Er zijn begrafenissen van mensen in uitgerekte positie, anderen in een gehurkte positie, ook zijn er resten van crematies. Terwijl volledige begrafenissen de normale activiteit was in de bronstijd zijn ze zeer zeldzaam in dit deel van de wereld, waar de meeste mensen in die tijd werden gecremeerd.

Sommige graven zijn hergebruikt, andere zijn over elkaar gebouwd en sommige zijn afgevlakt om nieuwe grafheuvels te kunnen bouwen. Een van de grafheuvels werd vier keer gebruikt voor verschillende begrafenissen tussen de Klokbeker en de IJzertijd periode. Daaropvolgende graven hadden crematie urnen. Er zijn ook verschillen in grootte en vorm.

Zevenbergen en naburige begraafplaatsen.

Deze begraafplaats zo’n 400 meter ten oosten van het vorstengrafcomplex wordt sinds mensenheugenis Zevenbergen genoemd, een duidelijk verwijzing naar de grafheuvels. Maar ook hier weer toen de naam aan dit werd gegeven was er al lang geen herinnering meer aan deze plek als een begraafplaats.

Deze necropolis ligt ook op een laaggelegen zandheuvel van de Maashorst – 100 meter van de meest noordelijke rand van de Peelbreuklijn – en moet een opmerkelijk kenmerk zijn geweest in het landschap tijdens de Brons- en IJzertijd. De oudste van de drie grafheuvels hier dateert uit 1800-1500 v.Chr. en is gepositioneerd op het hoogste deel van deze heuvel (ongeveer op 15 meter). Afzonderlijk waren er nog eens vijf begrafenissen binnen de drie graven. Een totaal van acht graven over een periode van ongeveer 500-700 jaar. Het is verbazingwekkend dat over zo’n lange periode deze begraafplaatsen gerecycled werden.

De regio Zevenbergen is onderzocht in 1933, tussen 1997 en 2004 en uiteindelijk vond het laatste archeologische onderzoek plaats in 2007.

De vroege graven leggen ook een duidelijke link met de Únětice cultuur en dus een link met de bronzen metallurgische innovaties die uit het Donaugebied kwamen. De laatste opgegraven grafheuvel, de grootste van het complex, bevatten waardevolle artefacten die misschien wel een onderdeel zijn van een harnas van een paard.

Net als het vorstengraf zou ook dit graf kunnen wijzen op een elite graf en het kreeg daarom de naam van ‘prins- of prinsesgraf’3..

Prinsesgraf
Pinsesgraf op de Maashorst

De later begrafenissen tonen aan dat de bevolking nu was overgegaan van de Bronstijd naar de IJzertijd en een verandering in culturele focus richting Hallstatt en Marne.

 De rivier flats nederzettingen

Geffen - Oss
Polderlandschap – uiterwaarden – Gerrit van de Heiden

Met de komst van de zwaardere keerploeg werd het in het eerste millennium v.Chr. ook mogelijk om de zwaardere maar veel productievere bodems van de lagergelegen uiterwaarden van de Maas 10 km verder ten noorden van de bosnederzetting te cultiveren.

Oss heeft een van de grootste archeologische vindplaatsen uit de Brons- en IJzertijd van West-Europa, aan de noordkant van de huidige stad in de uiterwaarden van de Maas is 40 hectare grond onderzocht.

Terwijl de vroegste boerderij dateert van ongeveer 2.000 v.Chr. waren er op elk gegeven moment niet meer dan drie boerderijen operationeel. Ze bleven voor ongeveer 25 jaar in gebruik om vervolgens te worden vervangen door een nieuwe boerderij die 50 tot 200 meter verderop wed bebouwd. Dit heeft een nieuwe uitdrukking gebracht aan de Europese archeologie: “zwervende boerderijen”. De boerderijen waren ongeveer 30 meter lang en 5,5 meter breed.

Hoewel de trend naar een samenleving gebaseerd op een grotere mate van individualisme zoals we dat gezien hebben tijdens de Klokbekerperiode, was het pas in de Hallstatt-periode voordat we daar duidelijker bewijs van krijgen, namelijk door de elitebegrafenissen.

Dit had ook gevolgen voor de bredere samenleving. Een opmerkelijke constatering is dat tussen de 800 en 500 v.Chr. de boerderijen veel kleiner worden, in Ussen veranderden ze van 30 meter lang naar 12 meter. Een conclusie kan zijn dat kleinere eenheden (individuele gezinnen in plaats van uitgebreide gezinnen) deze boerderijen bewoonden.

Iron Age Farmhouse Oss Ussen
Reconstructie van een van de boerderijen in OssUssen – openluchtmuseum  in Eindhoven.

Er zijn hier 66 van dergelijke boerderijen opgegraven en ze dateren van de Midden- en Late IJzertijd. Ze waren echter slechts gedurende een vrij korte periode bewoond. In sommige gevallen bevinden de huidige boerderijen zich nog steeds in 50-meter nabijheid van deze boerderijen uit de IJzertijd, opnieuw een voorbeeld van deze zeer indrukwekkende sociale continuïteit.

Tijdens de Bronstijd begonnen ze emmertarwe, gierst, veldbonen, taarten, maanzaad, vlas te verbouwen. En hielden ook runderen, geiten, varkens, schapen, paarden en honden. Tijdens de Romeinse periode werden daar kippen, druiven, kruiden, groenten en noten aan toegevoegd. De eerste moestuinen en kleine boomgaarden begonnen te ontstaan.

De contouren van een van deze boerderijen is gereconstrueerd als een klimrek voor kinderen in de nieuwe buitenwijk die hier nu staat. De boerderij stond hier vlakbij en had de volgende afmetingen: 17 meter lang, 4,5 meter breed en 4 meter hoog.

c05e2556-a018-4f91-ad9d-e27db0bd3be7
In 2010 heeft de gemeente Oss in de wijk Ussen een houten speel- en klimtoestel gebouwd. Een reconstructie op ware grootte van een boerderij uit de middenijzertijd (circa 500 – 250 jaar voor Chr.). In deze wijk werd in 1976 een nederzetting uit die tijd ontdekt bij graafwerkzaamheden.

De toegenomen belangrijkheid van de uiterwaarden als landbouwgebied en de groei van nederzettingen hier kan ook worden geconcludeerd uit de aanwezigheid van een heiligdom. Deze staat bekend onder de Duitse naam ‘Viereckschanzen’ en verwijst naar een rechthoekige stuk land, omgeven door een geul of sloot met daarbinnen in een gebouw. Dit is misschien al in de Late Bronstijd gebouwd, maar stond hier zeker tijdens de Midden-IJzertijd (500 v.Chr.). Ze zijn wijdverspreid in Duitsland en delen van Noord-Frankrijk. Meer recent zijn ze ook opgegraven in de Lage Landen, de meeste in Brabant: Oss, Alphen, Hoogeloon en misschien ook Zundert. Sommige heiligdommen werden tempels in de Romeinse tijd.  Een daarvan, dicht bij Oss, en hoogstwaarschijnlijk een van de grotere tempels stond in Kessel aan de Maas. Iets verderop was een heiligdom bij Empel, dicht bij Den Bosch en een in de Romeinse stad Ceuclum (Cuijk). Elders zijn er bekende tempels in Elst (Betuwe), Nijmegen, Ardenburg (Zeeland) en Maastricht.

Van het bos naar de uiterwaarden

Ondanks een verandering in de bevolkingsgroei in de IJzertijd, die de nederzettingen in de uiterwaarden bevoordeelde, bleven er boeren wonen in kleine gehuchtjes rondom de grafheuvels (niet veel groter dan de nederzettingen in de Bronstijd).  Er is de legende dat St Willibrord hier gedoopt heeft, ongeveer  3 km ten noorden van de begraafplaatsen. Het is onwaarschijnlijk dat Willibrord hier is geweest maar er kan een herinnering overgebleven zijn van de kerstening van de mensen die hier woonden.

Archeologisch onderzoek heeft geleid tot de ontdekking overblijfselen van een oude waterstroom dicht bij waar de huidige St Willibrordusput staat. Archeologen vonden hier ook overblijfselen van een kapel. Bedevaarten naar deze plek vonden nog steeds plaats aan het einde van de 19e eeuw. Zou het kunnen dat er ergens tussen deze twee locaties – de kapel en de grafheuvels – nog een andere landbouwnederzetting was, of misschien was het alleen maar een bedevaartsplaats?

Willibrordus Putje
Situatieschets van de St Willibrordus Kapel en de doopput.

Er is ook bewijs van een ongeveer 7 km lange weg die deze bos- en poldergemeenschappen met elkaar verbond. Deze straat is er gedeeltelijk nog, de Kortfoortstraat (kortste route). Wat aangeeft dat beide nederzettingen nauw met elkaar verbonden waren, de loopafstand tussen deze twee plaatsen is iets minder dan anderhalf uur. De contacten tussen deze twee groepen moeten hebben geleid tot een unieke reeks sociale en economische interacties: huwelijk, werk, handel in vee, landbouwproducten, hout, wol, klein wild enz. De eerste bekende molen uit rond 1300 was halverwege beide gemeenschappen, de Hertogen van Brabant en de Jonkers van Oss hielden het banrecht over de molen. 4.

Footnotes:

  1. Archeologisch Onderzoek Leiden (Archol) bv – Project Oss Zevenbergen 
  2. Het vorstengraf van Oss, Harry Fokkens en Richard Jansen, 2004
  3. Prins onder de plaggen, Evert van Ginkel, 2009 
  4.  Molen Zeldenrust, Paul Budde, 1978, p5 

Meer gedetailleerde informatie over deze periode zie: The History of Northwestern Europe  chapter Bronze Age

De Geschiedenis van Oss (index)

De IJzertijd