De Romeinse nederzettingen in Oss

Romanisering van de regio

Na de opstand, de Bataven, werd de stam wederom een van de meest trouwe aanhangers van Rome en ze werden geprezen voor hun moed, ruiterij, en zwemvaardigheden. Voor en na de opstand vochten ze in het Romeinse leger over het hele rijk, ze werden voor het laatst genoemd in 355. Na 25 jaar dienst zouden deze soldaten het Romeinse staatsburgerschap en een klein stukje land krijgen. Helaas hebben we geen informatie van terugkerende Bataven in onze regio, maar het zou kunnen dat zij degenen waren die de grotere boerderijen met een porticus bezaten, waarvan er een paar een deze regio gevonden zijn (Ussen en Nistelrode).

IX Cohort Batavorum

Rond het jaar 100, werd het IX Cohort Batavorum geleid door de Bataafse Flavius  Ceralis, zijn familie had de Romeinse nationaliteit gekregen van keizer Vespasianus in het jaar na de opstand. In 95 kwam hij met 480 Batavii legionairs aan in het Romeinse Fort  Vindolanda  (Groot-Brittannië), dit werd later onderdeel van het vestingwerk langs de Muur van Hadrianus (Hadrian’s Wall).

Het fort werd in 92 gebouwd door het IV Cohort Gallië uit het hedendaagse België. Tijdens opgravingen van dit fort werden houten tabletten gevonden met correspondentie, waarvan er vele door Flavius waren geschreven.

Ze vonden ook correspondentie over een uitnodiging voor een verjaardagsfeestje tussen de vrouw van Flavius, Sulpicia  Lepidina en haar zus Claudia  Severa, de vrouw van Aelius  Brocchus, de commandant van het volgende Romeinse fort. Dit is de oudst bekende ‘brief’ van een Romeinse vrouw gevonden in Groot-Brittannië.

Flavius kreeg in 105 de opdracht om naar Dacia (het hedendaagse Roemenië) te verhuizen, waar de Romeinen hevige gevechten voerden die zijn vereeuwigd op de Trajanus zuil in Rome.

Germania Inferior bleef ver van Rome en net als andere delen van het Rijk waren ze in staat om hun cultuur en tribale leiders te behouden. Het belangrijkste voor de Romeinen was dat zij zich aan de Romeinse principes van bestuur hielden en vooral belastingen betaalden en  militairen leverden.

Niettemin de Romeinse macht, de wet en het bestuur werden allemaal een integraal onderdeel van de Keltische en Germaanse stammen die in deze gebieden leefden. Ook werden de Romeinse systemen van landbouw en handel snel overgenomen en geïntegreerd in deze samenlevingen.

Wat we zien op de hogere niveaus van de samenleving is dat de lokale bevolking gewoontes, mode, en de manier van leven van de Romeinen begint over te nemen, dit wordt gedaan zonder enige druk. Het gebeurde in alle veroverde gebieden, van Afrika tot de Donau en Groot-Brittannië en in het gebied langs de Limes in de Lage Landen. De voordelen van integratie in de Romeinse samenleving hebben ook geleid tot verbetering van de economie en politieke stabiliteit.

Zoals we hierboven zagen, toen de Romeinen de stammen hadden onderworpen, werden deze gedwongen om soldaten te leveren voor het Romeinse leger. Als een gevolg daarvan zien we veel van de plaatselijke bewoners op reis gingen, soms reisden familieleden ook mee. We vinden deze plaatsgenoten terug in Groot-Brittannië in Frankrijk, Italië en helemaal tot aan de Zwarte Zee. Dit moet een enorme impact hebben gehad op de plaatselijk samenleving en de verhalen die deze reizigers met zich terugbrachten zullen de rondes gedaan hebben over vele generaties.

Veel Romeinen en hun hulptroepen (niet-Romeinen) huwden lokale vrouwen tijdens de 25 jaar die ze het Romeinse leger moesten doorbrengen, ook dat zal een diepe indruk gemaakt hebben op de familieleden die achterbleven.

De meer hoge ambtenaren waren in staat om te leven in villa’s en op meer uitgebreide landgoederen en hadden een aanzienlijke lokale machtspositie.

Aangezien we weinig of niets van een dergelijk rijkdom tegenkomen langs de noordelijke grens van het rijk zou dit kunnen betekenen dat de landbouwgronden hier niet zo goed geschikt waren voor grootschalige graanproductie (dit maakte Noord-Afrika en Spanje bijvoorbeeld aanzienlijk rijker). De riviergronden produceerden vee, maar dat was niet voldoende om de economie van de regio aanzienlijk te verbeteren. Er waren geen grote Romeinse projecten en investeringen in de regio.  De meer vruchtbare gebieden lagen meer zuidelijk en daarom lagen de meeste villa’s in onze regio in Limburg, een enkele misschien in de meer zuidelijke regio’s van Brabant (bijv.  Hoogeloon).

Militaire kampen voedden de lokale economie.

Het gebied langs de noordelijke Limes werd dan wel geen groot landbouwgebied maar de aanwezigheid van de vele castras betekende wel dat er vraag was naar veel producten die plaatselijk geleverd moesten worden. Dit resulteerde in economische groei en dat trok veel nieuwe mensen naar de regio.

Twee kilometer ten westen van militair kamp Ulpia  Noviomagus Batavorum ontsprong een bloeiende stad. Het werd het opgericht kort na de opstand van de Bataven en op haar hoogtepunt in de 2e eeuw zouden er tussen 3000 en 5000 mensen geleefd hebben, maar het werd weer verlaten zo’n honderd jaar later.  Het was onder de Romeinse keizer Trajanus dat de stad tussen 98 en 102 n. Chr. , als eerste in de Lage Landen, haar stadsrechten kreeg.

Als zodanig kreeg de stad ook een burgerlijk bestuur op basis van het Romeinse model, met raadsleden (decuriones), twee burgemeesters (voor de heffingen van belastingen) en ambtenaren belast met openbare werken en financiën. De jurisdictie functie van de stad strekte zich over het totale grondgebied van Bataven  (Civitas  Batavorum), dus ook over de mensen die in wat nu Oss is woonden.

Gallo-Romeinse tempel in Kessel

Zo’n 35 km ten westen van Nijmegen en 10 km ten noorden van Oss ligt het kleine dorpje Kessel, strategisch gelegen waar de rivieren Maas en Waal één riviersysteem vormden. We kwamen deze plaats ook tegen i.v.m. de afslachting die hier platvond onder het bevel van Julius Caesar.

Hier werd rond 100 n. Chr. een van de grootste Gallo-Romeinse tempels in het gebied gebouwd. Het mat 24×24 meter en was 6 meter hoog. Dat was groter dan de tempels in Cuijk en Empel (bij Den Bosch). Het was gewijd aan de Romeinse God Hercules en zijn Bataafse equivalent Magusanus (Donar).

Het is onbekend of er een verband bestaat tot de veldslag die Caesar hier heeft gevoerd en de tempel.

Nadat de Romeinen het gebied verlieten werd de tempel rond 275 gesloopt en sommige decennia later werden de bouwmaterialen gebruikt om een castellum (fort) te bouwen en van dit woord evolueerde de naam Kessel. (Zie videoclip: Nationaal Museum Leiden)

Ook rond de andere castras, begonnen de eerste landbouw en handelsgemeenschappen – vici – te ontstaan. Tot die tijd werd de streek bewoond door boerengemeenschappen van 2 of 3 boerderijen, in de Romeinse tijd groeide sommigen hiervan uit tot deze kleine dorpjes. Ze hadden wellicht een marktfunctie, er woonden daar waarschijnlijk een paar vakmensen en ze zouden ook gefunctioneerd kunnen hebben als religieuze centra.  De grootste van deze plaatsen had een bevolking die kon variëren tussen 250 en 500 inwoners.

Deze nederzettingen groeide vooral rond kruispunten van wegen en rivierovergangen, hun bestaan hing af van communicatie en handel met de Romeinen.

De meer vruchtbare gebieden van de riviervalleien in Germania Inferior werden gebruikt voor de landbouw, terwijl de minder vruchtbare zandgronden van Toxandria werden gebruikt voor vee. Tijdens de Romeinse tijd werden veel van de lokale jonge mannen (tussen de 18 en 23 jaar) aangeworven voor het Romeinse leger (vrijwillig of onder dwang) en dit had een aanzienlijke impact op de lokale landbouwgemeenschappen.

In deze periode was er een verschuiving van landbouw naar veeteelt, omdat dat minder arbeidsintensief was. Het Romeinse grensleger vereiste grote hoeveelheden vlees, leer, tenten, harnassen, laarzen, zadels en paardenuitrusting; dit heeft ongetwijfeld ook te maken gehad met deze verschuiving en dit maakte het ontstaan veel lokale markten mogelijk. Daarnaast werd er vanuit de grensregio ook tarwe verkocht aan het Roman Leger.

Langs de grens kwamen ook formele en spontane relaties tot stand tussen de Romeinen en de ‘vrije’ Germaanse stammen. Romeins geld circuleerde ook buiten het rijk zelfs tot in Scandinavië en de Baltische staten. Door deze militaire posten bereikte de Romeinse handel zelfs die buitengebieden.

Semi-industriële activiteit begon zich ook te ontwikkelen rond zoutwinning, bouwmaterialen, aardewerk, enz. Er zijn in Oss een grote hoeveelheid kokertjes gevonden waar zout in werd bewaard/vervoerd.

Historische Romeinse documenten spreken over het belang van de veehandel en zout wat een belangrijk element is in het looien. Zout handel/gebruik kwamen we ook eerder tegen in de IJzertijd (LINK)

Er ontstond een duidelijke economische afhankelijkheid, dit werd heel duidelijk na de ineenstorting van het Romeinse rijk, toen zowel de vrije als de eerder bezette delen van Europa een donkere periode van de Middeleeuwen ingingen.

Oss een nederzetting op de Romeinse Limes

Door de invloed van de Romeinen vonden er grote sociale en economische veranderingen plaats. Zelfs aan de randen van het Rijk filterden de veranderingen door. Op dat moment bevond Oss zich wel in een interessante positie, dicht bij de grensregio waar veel militaire activiteiten plaatsvonden met een grote Romeinse nederzetting in Nijmegen in de buurt en andere militaire kampen in Cuijk en misschien ook in Empel en Kessel.

Sinds de Bronstijd hadden boeren zich gevestigd in het gebied rondom Oss en veeteelt was hun belangrijkste activiteit. Het ziet er naar uit dat Oss groeide tot een klein dorp, zoals we dat hierboven zagen beschreven. De landbouwnederzettingen groeide uit tot wat misschien een protodorp genoemd kan worden. We zien een aanzienlijke toename van de bevolking in de IJzertijd nederzettingen  van  Ussen (ten noordwesten van het huidige stadscentrum) evenals in de nederzettingen in andere delen van de  Maashorst, zoals Mun,  Gaalse  Heide, Loo.

Archeologen vinden steeds meer Romeinse artefacten en tegen het einde van de Romeinse bezetting zien we dat veel van de inheemse gebruiksvoorwerpen en werktuigen worden vervangen. Aardewerk werd nu veel minder lokaal gemaakt en vervangen door geïmporteerd Romeins aardewerk. Romeinse mantelspelden (fibulae) en munten komen ook steeds vaker voor. Dit betekent niet alleen de Romeinse invloed, maar ook een verandering in de economie als veel van deze goederen werden geïmporteerd uit andere delen van het Rijk.

De boerderijen werden groter en waarschijnlijk hadden deze grensnederzettingen ook een levendige handel met boeren verder ten noorden van de Romeinse grens die allemaal graag wilden profiteren van de vraag naar goederen uit de Romeinse steden en de leger grensposten langs de Limes. Boerderijen worden steeds meer permanent en een aantal van de kleine nederzettingen werden omringd door een sloot.

De namen Ussen, Oss en de os in het wapen van de vroege adel in de Middeleeuwen tonen mogelijkerwijs allemaal een sterk verband tussen vee en de lokale nederzettingen. De nauw met elkaar verbonden gehuchten in Ussen – tegenwoordig bekend als Westerveld, Vijver en Zomerhof – zouden dus best een centrum gevormd kunnen hebben voor de veehandel. De lindeboom waaronder de os staat heeft, heeft zoals we weten, een diepe Germaanse religieuze/culturele betekenis.

Een andere verklaring is echter dat de naam Oss een hydroniem is die te maken heeft met het water dat hier de riviervlaktes heeft overstroomd en dat dit een plek was die boven het water lag, het huidige stadscentrum wordt de Heuvel genoemd

De drie nederzettingen in Ussen hadden ook een (gecombineerd) urnenveld, in totaal zijn hier zo’n 400 mensen begraven, de plaats bevat een rij van zes grotere grafheuvels – waarschijnlijk voor de eigenaren van een wat grotere woning waarvan archeologen de grondsporen hebben terug gevonden.  De graven die dateren van tussen 60 en 150 n. Chr.

Op een vrij compacte begraafplaats op de Gaalse Heide bij de Hellenmolen bij het huidige gehucht Mun (Schaijk) zijn 63 Romeinse graven met perfect bewaard gebleven potten als grafcadeau gevonden. 1.

Andere mogelijke Romeinse handelsnederzettingen in de regio Brabant zijn: Lith, Teeffelen, Macharen, Nistelrode, Bladel, Someren, Riethoven, Cuijk en Hoogeloon (een van de weinige met een woning die het dichtst bij een Romeinse villa komt). 2.

Kort na de Opstand van de Bataven bouwden de Romeinen de ‘Neder Germanicus Limes’. De Schelde- en Rijnrivieren vormden nu officieel de beschermde noordelijke grens van het Rijk, deze werkzaamheden werden voltooid door 83 n. Chr. Dit kondigt het begin aan van een 100-jarige periode van vrede (Pax Romana) die resulteerde in een verdere toename van de bevolking en een verdere groei van de nederzettingen.

Na de 1e eeuw was het gebied volledig geromaniseerd. Westerveld lijkt de meest welvarende nederzetting te zijn geweest; het is een van de grootst bekende nederzettingen uit de Romeinse periode ten westen van de militaire basis van Nijmegen (afstand ongeveer 30 km). Deze nederzetting had een dubbele sloot eromheen, evenals waarschijnlijk een omheiningen van palen en binnen dit ‘beschermde gebied’ is archeologisch bewijs van restanten van luxe aardewerk, fibulae, wijn vaten (gebruikt als de behuizing voor een water put) en glaswerk.

Niets van dit alles was toegankelijk voor de lokale bevolking zonder sterke banden met de militaire depots. Het hoofdgebouw was misschien huisvesting van een inheemse koopman/ stamleider, wiens huis lijkt een veranda (porticus) te hebben gehad. Misschien kon grotere gebouw ook functioneren als feestzaal (mede-zaal)?

Verder waren er 8 of 9 (ondersteunende) boerderijen. Sommige van deze boerderijen waren aanzienlijk tussen 20 en 30 meter en zelfs 40 meter lang, sommige van de stallen in deze boerderijen (lange huizen) konden maar liefst 30 runderen houden, gemiddeld zouden er tussen de 15 en 20 runderen gestaan hebben. In Nistelrode, 9 kilometer ten zuiden van Westerveld, was een soortgelijk huis met een porticus, ook hier werd een wijnvat gebruikt voor een waterput. Niet ver van deze nederzetting werd een echte Romeinse schat opgegraven.

Schat van Nistelrode

In het vroege voorjaar van 2004 deden archeologen een bijzondere ontdekking in Nistelrode. Er werden maar liefst dertig sierlijk versierde bronzen kruiken, kommen, wijn decanters en candelabras gevonden. Het was een Romeins wijnservies, uniek voor Nederland.

Er is ook een deel van een lokale nederzetting blootgelegd. Deze werd bewoond tussen het einde van de 1e tot het begin van de 3e eeuw. Naast het wijnservies vonden men ook aardewerkscherven, dakpannen, munten, broches en – via grondsporen – de percelen van drie boerderijen. Het is niet duidelijk of het gaat om een ritueel offer of om een schat van snel begraven luxegoederen om te voorkomen dat ze werden gestolen door binnenvallende Germaanse stammen. 3  (Nistelrode schat zie videoclip: Nationaal Museum Leiden)

 

In het vroege voorjaar van 2004 deden archeologen een bijzondere ontdekking in Nistelrode. Er werden maar liefst dertig sierlijk versierde bronzen kruiken, kommen, wijn decanters en candelabras gevonden. Het was een Romeins wijnservies, uniek voor Nederland.

Er is ook een deel van een lokale nederzetting blootgelegd. Deze werd bewoond tussen het einde van de 1e tot het begin van de 3e eeuw. Naast het wijnservies vonden men ook aardewerkscherven, dakpannen, munten, broches en – via grondsporen – de percelen van drie boerderijen. Het is niet duidelijk of het gaat om een ritueel offer of om een schat van snel begraven luxegoederen om te voorkomen dat ze werden gestolen door binnenvallende Germaanse stammen. 3  (Nistelrode schat zie videoclip: Nationaal Museum Leiden)

Aan het begin van de 2e eeuw rapporteert Tacitus enkele interessante veranderingen in het sociale systeem van de lokale bevolking.

In de grensregio’s werd nu de rijkdom (akkerland) verdeeld op basis van status en misschien is de eerdergenoemde Westerveld-nederzetting daar een voorbeeld van. Voor die tijd werden landbouwgebieden van jaar tot jaar gewisseld binnen de stam om te voorkomen dat iemand altijd de beste gronden had. Halverwege de 2e eeuw leek Westerveld zijn belangrijke status al te hebben verloren. Dit zou kunnen samenvallen met de regelmatige invallen van de Germaanse stammen van de andere kant van de rivier. Rond 175 hadden deze zich al stevig gevestigd in het noordelijke gedeelte van Brabant.

De drie nederzettingen in Ussen bleven bewoond, maar de bevolking lijkt tegen die tijd te zijn gehalveerd. Dit valt samen met de vernietiging en/of het verlaten van de andere belangrijke Romeinse plaatsen zoals Hoogeloon, Empel, Kessel en Ceuclum (Cuijk). Ook Nijmegen was en doelwit en de Romeinse tempels werden hier in brand gestoken.

Plotseling, na een totale bewoningsperiode van zo’n 2000 jaar, werden de nederzettingen in Ussen die al dateerden uit de vroege bronstijd plotseling rond het jaar 225 verlaten. Empel volgde een decennium later, de meeste plaatsen verbonden aan de Romeinse bezetting werden verlaten vóór 250, Ceuclum was misschien het laatste bolwerk dat werd vernietigd rond 275. Ook de Romeinse forten in Lugdunum (Katwijk)aan de Noordzee en Nijmegen werden rond deze tijd verlaten. Dit alles gebeurde tijdens de Turbulente Derde Eeuw (zoals hier uitgebreider beschreven: LINK).

Er is ook betoogd dat het waterpeil in het toch al drassige gebied sterk was gestegen, waardoor bewoning hier niet langer haalbaar was. Ook werd in 275 de regio getroffen door een ernstige epidemie, die misschien samenviel met de verwoesting als gevolg van de oorlog? Maar er is hier geen archeologisch bewijs van gevonden.

Het blijft een puzzel wat er gebeurde met de mensen die hier woonden, zijn ze gevlucht met de Romeinse troepen, was er sprake van grootschalige moord, was het de pest, niemand weet het. In minder dan 15% van de nederzettingen die in de Romeinse periode bewoond waren, is er archeologisch bewijs van een voortzetting van landbouwactiviteiten, iets meer langs de Maas (Macharen, Lith, Teeffelen, Grave, Heusden) dan elders.

In Oss lijkt het erop dat de mensen die in deze streek verbleven verhuisd zijn naar de Heuvel (een 6 meter verhoging) waar later de middeleeuwse stad zich begon te ontwikkelen; deze ligt slechts iets ten zuiden van de oude nederzettingen.

Ook in Nijmegen, Tongeren, Cuijk en Maastricht bleef er bewoning bestaan, zij het met een zeer sterk verminderd aantal mensen.

Na de reorganisatie van het Rijk onder Diocletianus en waarschijnlijk nadat keizer Julianus de controle in de regio had hersteld na zijn overwinning op de Franken en Alimanni in de slag bij Strabourg in 357, werden late Romeinse forten herbouwd in Kessel (met behulp van de overblijfselen van de oude tempel) en Ceuclum.

In 358 kregen de Salian Franken autonomie over de regio (Toxandria) en vanwege het nieuwe multicultureel van de Romeinen werden deze forten nu verdedigd door Frankische Romeinen.

Toen de Romeinen in 402 de Neder Germanicus Limes verlieten, namen de Franken de volledige controle over van het gebied tussen de Rijn en de Schelde en de Alamanni namen het fort Wiesbaden aan de Rijn over. De hele grensregio werd snel ontvolkt na een totale ineenstorting van de lokale economie.

Het grondwaterpeil begon pas rond de 800 te dalen, waardoor de landbouw in de vruchtbare riviervlaktes weer mogelijk werd. Pas in de late middeleeuwen werd het gebied rond Ussen opnieuw bewoond, waarschijnlijk pas nadat er vanaf 1100 dijken langs de Maas werden aangelegd.

Het vertrek van de Romeinen

Misschien al rond 260 werden de Neder Germanicus Limes verlaten. Vanwege de oorlog met Perzië en interne burgeroorlogen werden de legioenen langs de Limes teruggeroepen om andere delen van het Rijk te verdedigen. De Limes waren nu open voor de Germaanse stammen en er is bewijs van gewelddadige aanvallen op de nu onbeschermde boerderijen en nederzettingen.

Na 300 werd er door de Romeinen een andere defensiestrategie ingezet, met minder castras landinwaarts van de kust en met snelle cavalerie troepen die konden worden ingezet wanneer dat nodig was. Ze konden echter de vele Germaanse invallen die in de 4e eeuw voortdurend plaatsvonden niet stoppen.

Ceuclum (Cuijk)

Ceuclum bleef een belangrijk militair fort met (sinds ca. 350) een brug over de Maas, er waren slechts twee andere bruggen in de Lage Landen die al in de 1e eeuw waren gebouwd in Maastricht en misschien zelfs een eerdere in de buurt van Venlo. In de 4e eeuw herbouwden de Romeinen hun castrum in Ceuclum, en ze bouwden er ook een in Maastricht. Deze twee militair buitenposten werden uiteindelijk verlaten in 402 toen de troepen werden bevolen om te verhuizen naar Italië om de kern van het Rijk te verdedigen

Ceuclum is de enige stad in Brabant waarvan de Romeinse naam bekend is.

De huidige Grotestraat in Cuijk volgt dezelfde route als de oude Romeinse weg. Het was een deel van de militaire weg van Tongeren via Maastricht naar Nijmegen. De eerste fase van deze nederzetting (vicus) dateert tussen 50-100 n. Chr. strategisch gebouwd op een rivierduin. Een laag van verbrand materiaal kan erop wijzen dat deze nederzetting zou kunnen zijn afgebrand tijdens de  Bataafse opstand.

De vicus werd onmiddellijk daarna herbouwd – misschien onder keizer Trajanus– het had nu ook een castellum. Het familiehuis van de grootouders van mijn vrouw stond binnen de oude parameters van het castellum (zie videoclip). Het vicus bloeide tot 150CE, maar verloor haar belang na die tijd.

De derde fase van Ceuclum begint aan het begin van de 3e eeuw maar tegen 275 is de plaats weer verlaten.

De stad werd als een lint gebouwd langs de Romeinse weg en was ongeveer 600 meter lang (en 40 meter breed). De vicus had huizen met werkplaats en winkels evenals twee tempels. Net buiten de stad was een grote begraafplaats met tussen de 1.000 en 2.000 graven.  Zie ook videoclip  Cuijk.

Barbaren aan het roer

Voor de volgende 53 jaar na de plundering van Rome zien we een snelle voortzetting van de verdere desintegratie van de gecentraliseerde Romeinse macht en er was niet genoeg of zeer weinig burgergezag om dit vacuüm te vullen. Dit maakte het mogelijk voor de Germaanse stammen om nu definitief de controle over het gebied te krijgen en het ingestorte imperium verder binnen te vallen. Ze concentreerden hun inspanningen op de overname van Romeinse castra’s.

In 486 slaagde Clovis  erin het om Soissons, het laatste overgebleven gebied van Romeins Gallië te veroveren. De Romeinse militaire commandant Syagrius was in staat geweest om de Romeinse controle over deze regio nog even vast te houden na de val van Rome in 476, na de veldslag die daar plaatsvond ontsnapte hij naar de Visigoten in Toulouse.

De Franken waren al in controle van grote delen van Germania and Gallië en binnen een paar decennia hadden ze het grootste deel van West-Europa onder controle. Dit ondersteunt de hypothese dat de overgang van de Romeinse tijd naar de Middeleeuwen veel meer natuurlijke is geweest dan men in het verleden vermoede.

Ondanks de grootschalige ontvolking konden de meeste dorpen toch overleven zij het met een aanzienlijk lager bevolkingsniveau. De centrale monocultuur ontwikkelingen met betrekking tot de landbouw (Romeinse villa’s) verdwenen en daarmee de handel die een belangrijk element van een dergelijke economie is. In plaats daarvan, kwam de zelfvoorzienende landbouw weer terug met vele kleine boerderijen geëxploiteerd door de dorpelingen.

Zonder handel ook vielen de Romeinse wegen snel in verval. Na de ineenstorting van het gecentraliseerde bestuur duurde het eeuwen voordat nieuwe sterke gecentraliseerde regeringen werden hersteld. Anarchie, armoede, overvallen en moord werden de norm.

In de loop der eeuwen begon – onder leiding van de Franken – een nieuw machtscentrum te ontstaan in de Maas- en Moezelvalleien. Verdere activiteiten begonnen zich iets verder ten zuiden en oosten te ontwikkelen langs de Rijn in Duitsland en in wat nu Noord-Frankrijk is.

Maar de pogingen van Merovingen, Karolingen en de Heilige Roman Keizer om permanente centrale controle te herstellen kwam nooit echt tot stand. Ze misten allemaal de administratieve structuren om hun rijk bij elkaar te houden. Als gevolg verloor men de kennis en daalde het organisatieniveau. Plaatselijk warlords organiseerde zich rondom feodale systemen die Europa ruim een millennium regeerde en in sommige delen van Europa zelfs tot ver in de moderne tijd. Langzaamaan zien we de opkomst van wat later de koninkrijken Engeland, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje zouden gaan worden. Maar men kan stellen dat het niveau van politieke stabiliteit en langdurige vrede in Europa nog steeds niet het niveau heeft bereikt dat de mensen in de Romeinse periode gedurende een lange tijd van hebben kunnen genieten (de al eerdergenoemde Pax Romana).

Er zijn aanwijzingen dat er in Toxandria (Brabant) bevolkingsverschuivingen plaatsvonden. Al gedurende de Romeinse periode trokken Saliërs dit gebied binnen vanuit het noorden, na het vertrek van de Romeinen namen zij bezit van wat er van de Romeinse structuren was overgebleven.  Zoals al eerder vermeld leidde de Romeinse overheersing tot grote veranderingen in de Gallische en Germaanse samenleven een van de gevolgen hiervan was dat stammen samenvloeiden in grotere verbanden de Franken and de Saksen zijn daar de belangrijkste voorbeelden. De Saliërs waren weer een subgroep van de Franken. De Saliërs kwamen oorspronkelijk uit de oostelijk delen van Germania aan de andere kant van de IJssel en de Rijn.

De Frissii wisten hun gebied uit te breiden tot de grote rivieren en beheerste het deltagebied, tot dat de Merovingen dat op hen weer veroverden.

Maar er ook is er archeologisch bewijs dat er een zuidelijke invloed was vanuit de Moezel en Rijn regio’s en misschien zelfs van nog verder naar het zuiden. De invloed uit de Moezelstreek (met Metz als hoofdcentrum) zien we vooral in de Merovingische periode.

De nalatenschap van de Romeinse tijd voor wat later Brabant zou worden is dat sommige dorpen, landbouwontwikkelingen en infrastructuren bleven bestaan, en dit groeide later uit tot plaatsen die een belangrijke rol zouden gaan spelen in de vroege geschiedenis van Brabant.

De geschiedenis van Noordwest-Europa  (TOC)

  1. Verleden van een bewogen landschap, Richard Jansen, Klaas van der Laan, 2011
  2. Onder heide en akkers, Evert van Ginkel and Liesbeth Theunissen, 2009, p 188
  3. De schatvondst van Nistelrode Romeinse luxe in het Bataafse Land, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, 2010
  4. Getting down to earth, Joseph A. Tainter, 1996
  5. Justinianus’s Vlo, William Rosen, p122

 

 

De Geschiedenis van Oss

Oss onderdeel van het Romeinse Rijk