Paul Budde
  • PaulBuddeHistory.com covers the historical interests and projects of amateur historian Paul Budde; tracing the broader Budde family history back through North Germany and the Baltic region.

    His personal interest is in medieval North Western Europe. Also covered is the local history of Bucketty, NSW, Australia.

Paul Budde's History Archives

Merauke

Hoofdplaats van Zuid Nieuw Guinea

Merauke is de hoofdplaats van Zuid Nieuw Guinea en tevens de hoofdplaats van de gelijknamige onderafdeling. Boven-Digul was een ander onderafdeling in het gebied met als hoofdplaats Tanah Merah. Verder zijn er in Zuid Nieuw Guinea de onderafdelingen Asmat met Agats als hoofdplaats, Mappi met de hoofdplaats Kepi and Moejoe met Mindiptana.

Aan het hoofd van het binnenlandse bestuur stond de gouverneur-generaal die in Hollandia resideerde. Iedere afdeling had een resident aan het hoofd, iedere onderafdeling een Controleur Binnenlands Bestuur (ze stonden ook bekend als onderafdelingshoofd, onderafdelingschef en hoofd van het plaatselijke bestuur –HPB)

In Merauke werd op 12 februari 1902 een Nederlandse overheidspost opgericht. De plaats heeft een belangrijke rol gespeeld in de kerstening van de bevolking door de missie. Als de hoofdstad van heel het zuidelijke gebied is de bestuursfunctie het ander belangrijke element dat vorm heeft gegeven aan de plaats en tot slotte was hier ook een belangrijke basis van de Nederlandse Marine. Gedurende de 2de Wereld Oorlog, was de onafhankelijkheid van Merauke van belang voor de Stille Zuidzee. Ook na de oorlog bleef Merauke een belangrijke marine haven en luchtmacht basis.

De Papoea bevolking

In de jaren 50 telde Merauke rond de 6,000 inwoners, de meeste van de trotse en krijgshaftige Marind-Anim stam, net als de meeste andere bevolkingsgroepen in dit deel van het land beruchte koppensnellers. Ze noemden zichzelf änim-ha dit betekent: ‘DE mensen’.en in hun traditionele gebied, langs de kust van zuid Nieuw Guinea en het aangrenzende binnenland.

De Marind-anim vormden veruit de grootste papoea-bevolkingsgroep van Nederlands Zuid-Nieuw-Guinea. Zij wonen langs bijna de gehele lengte van de zuidkust,  het grootste aantal in kleinere dorpjes (kampongs) rondom Merauke.  In het binnenland zijn de papoea’s van de Marind-bevolkingsgroep gevestigd in het achterland van Okaba tussen de Buraka- en de Elirivier, langs de oevers van de Koembe- en de Bianrivier met al het aangrenzend gebied en langs de oevers van de beneden-Maro.

Hun aantal rond de eeuwwisseling wordt ten minste op 9000 geschat, aldus dr. J. van Baal. (eminent cultureel antropoloog en oud-gouverneur van Nederlands-Nieuw-Guinea (1953-1958). De Marind-anim bestond uit 40 of meer onderling onafhankelijke territoriale groepen, die over het algemeen goede relaties met elkaar onderhielden.
Verder waren er ook wat nederzettingen van de Asmatters langs de kust. Ze noemden zichzelf Asmat-ow (de echte mensen.)

Echte mensen

Dit soort benamingen voor henzelf tref je in allerlei aboriginal bevolkingsgroepen aan, waarbij zij zichzelf als het middelpunt van hun omgeving zien en zich plaatsen tegenover de andere stammen om hen heen. Deze namen geven aan dat deze groepen zich superieur beschouwden aan de andere stammen, dit betekende o.a. dat die anderen vrijelijk gedood konden worden want zij waren in hun ogen: ‘geen echte mensen’.

Naast deze stammen woonden er ook leden van de Muju (deze Papoea’s woonden aan de voet van de bergen, de meeste in het vlakke land), deze woonden in de wijk Klapa Lima. Waarschijnlijk waren deze bewoners onderdeel van een van de vele transmigraties die door de eeuwen heen hier hebben plaatsgevonden. De berg-Papoea’s woonde in de vruchtbare valleien aan de voet van het hooggebergte. Met geregelde tussenpauzes raakten deze valleien overbevolkt, soms zorgden de onophoudelijke stammenoorlogen voor een balans, maar soms ook braken groepen af en begonnen naar nieuw land te zoeken, dit was niet eenvoudig want de vruchtbare gebieden waren allemaal bewoond. Het onvruchtbare moerasgebied in het zuiden leverde minder concurrentie op.

Ontwikkeling

In vergelijking tot Tanah Merah waar Annie wat later terechtkwam was Merauke ‘civilisatie’, er was een infrastructuur, er reden auto’s en de kinderen op de plaatselijke internaten zaten allemaal netjes in de kleren. Naast de scholen en de internaten was er ook een ziekenhuis en een reeks van overheidsgebouwen, een bisschopshuis, een postkantoor en een kerk.

Al voor de oorlog was het Binnenlands Bestuur begonnen met het ontwikkelen van land- en veeteelt projecten, die er toe moesten leiden om economische activiteit tot stand te brengen. Het veeteeltstation Moppoah, vlak bij het vliegveld was een van de belangrijkste projecten in het hele gebied. Het project was grotendeels in het bezit van Javaanse veehouders. Deze hadden ook paarden en eenmaal per jaar werden er zelfs paardenraces georganiseerd in Merauke.

Een ander belangrijk project was een gemechaniseerd rijstteelt bedrijf o.l.v. Nederlandse landbouwingenieurs aan de Kumberivier.

Hoewel de Marind Anim het landbouwwerk snel onder de knie hadden, zijn het nooit enthousiaste landbouwers geworden.

Achteraf beschouwd heeft de Nederlandse regering lange tijd weinig gedaan aan de ontwikkeling van Nieuw Guinea, m.n. wat betreft het zuidelijke gedeelte. Pas toen het te laat was en Indonesië aanspraak op het land begon te maken kwam er opeens veel meer geld beschikbaar voor de ontwikkeling van het land.

De Missie

Apostolisch bestuur

In de missie vallen gebieden die nog niet tot een bisdom behoren aanvankelijk onder een apostolische prefectuur. In tweede instantie gaat men over tot de oprichting van een apostolisch vicariaat. Dit is de laatste stap voor de oprichting van een bisdom.

In 1902 werd de apostolische prefectuur van Nederlands Nieuw Guinea en de Molukken afgescheiden van het apostolisch vicariaat Batavia, dat daarvoor geheel Nederlands Indie omvatte en door de Jezuiten werd bestuurd.

De Missionarissen van het Heilig Hart (Missionarii Sacratissimi Cordis lesu: MSC) namen de nieuwe prefectuur onder hun hoede. Behalve het Nederlands gedeelte van Nieuw Guinea omvatte het de Kei-eilanden, Tanimbar en de Aroe-eilanden. De zetel van de prefectuur was in Langgur (Kei-eilenaden).  In 1929 werd het verheven tot vicariaat met Mgr. Aerts als de eerste bisschop.

Na de onafhankelijkheid van Indonesie In 1950 werd het apostolisch vicariaat Nieuw-Guinea opgesplitst in het vicariaat Amboina (Kei-eilanden) en het vicariaat Merauke. Mgr. Herman Tillemans werd apostolisch vicaris van Merauke. Doordat de apostolisch vicaris niet langer op de Kei-eilanden zat, maar in Merauke zetelde, kreeg Nederlands Nieuw-Guinea meer aandacht vooral ook omdat hij niet schuwde om zich ook met bestuurlijke taken te bemoeien. Tillemans was ook een groot voorstander om de Papua cultuur en traditie zoveel mogelijk in acht te nemen

Na een koppensnellerjacht in Kepi is door zijn directe invloed in de KVP in Nederland de plaatselijke controleur afgezet, tegen het advies in van de resident van Zuid Nieuw Guinea.

Op een van zijn bezoeken aan Nederland bracht de bisschop ook een bezoek aan Annie’s ouders in Ootmarsum, iets wat de familie natuurlijk enorm op prijs stelde.

Missiepost Merauke

In 1905 starten de Missionarissen van het Heilig Hart (Missionarii Sacratissimi Cordis lesu; MSC) een missiepost. Een van de grootste problemen dat ze tegenkwamen was een dramatische teruggang in de bevolking  met name door seksueel overdraagbare venerisch granuloom .

Deze ziekte was waarschijnlijk door Australiers en Europeanen in Nieuw Guinea terecht gekomen. De promescue sexuele tradities van de Marid-anim maakte hun uiterst kwetsbaar voor granuloom en richte een ware slachting aan onder de bevolking.

Al snel werd er een kliniek opgezet vanwaar de aktie onder de naam  ‘het reddingsplan’ werd uitgevoerd. In dezelfde tijd verrees  het eerste schooltje in Merauke.

Sinds 1918 richte  de Spaanse Griep ook weer een grote slachting aan onder de Marid-anim.

De missie begon ook met economische projecten, in Merauke legde zij zich vooral toe op de veeteelt. In tegenstelling tot de klapperplanting te Okaba had de veeteelt van Merauke geen succes. De koeien verwilderden en ook de paarden die van Australië waren ingevoerd, voldeden niet aan de verwachtingen.

De Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart  arriveerden 1n 1928 en begonnen hier met (huishoud) onderwijs voor meisjes en ze werkten in de polikliniek. Ze namen ook de medische zorg voor de naburige dorpen op zich. Papoea-meisjes leidden zij op tot verpleegkundigen en dorpsverzorgsters, die in de papoea-dorpen werkten als vroedvrouwen. In 1945 openden zij een meisjesinternaat. Ook werden hier werden in hetzelfde jaar een Voorschool (V.S.) en een Vervolgschool (V.V.S.) gesticht. In 1953 werd deze uitgebouwd tot een erkende lagere technischeschool. Van 1950 tot 1956 werd daar ook een cursus landbouw gegeven

De zusters  werkten aan de ontwikkeling van de jonge papoea-vrouw. Op de huishoudscholen der meisjesinternaten te Merauke, Mindiptana en Kepi kregen de papoea-meisjes onderwijs in voedings- en zwangerschapsleer. Het leerplan was aangepast aan de leefwijze in de kampong (= dorp).  Bij de voedingsleer werd onderwezen hoe het menu afgewisseld, hoe groente geplant en hoe een tuin aangelegd kon worden. De zusters introduceerden peulvruchten. Deze peulvruchten kwamen goed van pas als vervangende voeding voor zwangere Awjoe-vrouwen. Awjoe-vrouwen mochten namelijk niet van bepaalde vissoorten eten als ze zwanger waren. Zij geloofden dat er een gehandicapt kind geboren zou worden als zij dit gebod overtraden. Zwangere vrouwen en malariapatiënten werden door de zusters naar de kliniek gestuurd.

De papoea-meisjes leerden kleren naaien en wassen, en hoe ze matten konden vlechten. Hun werd onderwezen hoe ze langer houdbare en dus verkoopbare sagokoeken moesten bakken. De Dochters van O.L.Vrouw van het H.Hart introduceerden het koken in pannen in plaats van het roosteren van voedsel ingepakt in een blad in hete as.

Nadat de religieuse scheiding tussen noord en zuid Nieuw Guinea was afgeschaft in 1927, opende drie jaar later de eerste Molukse Protestantse Kerk in Merauke.

In 1948 vestigden de Broeders van O.L.Vrouw van Zeven Smarten (van Voorhout) zich te Merauke om de leiding op zich te nemen van de V.V.S. en een ambachtsschool (in 1950).

Vanuit Mimika herstelde de Nederlandse missionaris Frans Zegwaard in 1953 de nederzetting in Agats waar hij een missiepost van het Heilig Hart opzette.

In 1954 werd er ook een school opgericht in Tanah Merah. Annie Budde heeft in beide plaatsen gewerkt.

in 1959, kwamen de Zusters van de Eucharistische Kruistocht naar Merauke om daar maatschappelijk werk te doen. Rond 1960 werd er intensieve aktie gevoerd om het maatschappelijk
peil der papoea’s omhoog te krijgen. Er werden ook Papoea coöperaties opgericht.

 

Onderwijzeres in Merauke

Na aankomst in Merauke was er welkomstfeest voor de nieuwe onderwijzeres uit Nederland, georganiseerd door de zusters op het internaat in Merauke. En al snel begon Annie les te geven op de onderbouw van de meisjesschool op het missiecomplex. De werktijden waren in overeenstemming met het klimaat van 7.30 ‘s morgens tot 13.00 na de middag.

Regelmatig kwamen er uit Nederland goederen aan voor het ontwikkelingswerk. Annie’s moeder speelde hierin een zeer actieve rol en wist zo onder andere een textielfabrikant in Oldenzaal (Gelderman) er toe over te halen regelmatig kleding naar Annie te sturen, de ontvangst daarvan is op film vastgelegd. Ook werden er stoffen toegezonden waarvan de Papoea vrouwen zelf kleding gingen maken (naailes). De filmpjes werden natuurlijk in Nederland vertoond en dat leverde weer nieuwe belangstelling en verdere zendingen op.

In Merauke vierde Annie ook haar eerste tropische kerstfeest. Het was bloedheet en de versiering tijdens de Nachtmis vormde, in Annie’s woorden, een zee van wit. Ook was letterlijk iedereen prachtig in het wit gekleed. Ze herinnerde zich ook nog goed het witte priesterkazuifel dat na de plechtige dienst drijfnat van het zweet aan de waslijn hing.

De marine basis zorgde ook regelmatig voor de nodige afwisselingen, er kwamen regelmatig schepen aan en er waren altijd wel activiteiten, er was een mariniersband die regelmatig op en aantrad. Op een van de festiviteiten aan boord was Annie ook uitgenodigd, Nederlandse dames (onderwijzeressen en verpleegsters) waren natuurlijk altijd zeer welkom op deze marine feesten, maar helaas, Annie had net haar voet verzwikt. Dit weerhield haar uiteraard niet om op het feest aanwezig te zijn, maar ze kon helaas niet met de jongens dansen. Een van de mariniers droeg haar echter toch de dansvloer op en volgens Annie bracht dit de flexibiliteit in haar voet terug!

Annie woonden samen met drie collega’s in een van de westerse huizen die Merauke rijk was, Floor Hendriks, An Jansen en een zekere Maud. Ze had haar eigen kamer in dit huis en de rest deelden ze met elkaar. Voedsel en koken zou een niet ophoudend probleem blijven gedurende de rest van haar tijd in Nieuw Guinea, vooral later in Tanah Merah. In Merauke werd het eten netjes gekookt en aangeleverd vanuit de missie keuken.

Het onderwijs werd nog steeds hoofdzakelijk bepaald door religieuzen, maar langzaam maar zeker, zo merkte Annie, kwam daar verandering in en kwamen er steeds meer leken.

Veel lagere onderwijs en bestuursfuncties door heel Nieuw Guinea werden uitgevoerd door Keiese, bewoners van een Indonesische eilandengroep niet ver van de westkust van Nieuw Guinea.

Volgens Annie stond het onderwijs op een goed peil, vergelijkbaar met dat in Nederland, dat blijkt een goede verbetering te zijn want over het algemeen waren de berichten minder gunstig. Veel hulponderwijzers va de Kei eilanden (goeroes) waren niet van dezelfde standaard.  In de jaren vijftig werd door het Nederlandse bestuur steeds meer goede leermiddelen ter beschikking gesteld, en veel daarvan was van toen af aan weer en mweer afgesteld op de plaatselijke situatie. Annie had nog een setje van de Paradijsvogels leerboekjes, die een belangrijke leesbron waren voor de Papoea kinderen. De belangrijkste vakken waren: rekenen, taal, hygiëne, koken, naaien, timmeren en landbouw. Er was onderwijsinspectie in Merauke, maar Annie kan zich niet herinneren ooit een inspecteur in Tanah Merah te hebben gezien.

Maar ook in het onderwijs bleek (achteraf bezien) dat de ontwikkelingen pas te laat goed op gang kwamen en dat daardoor tijdens de overdracht aan Indonesië er niet voldoende Papoea’s waren om een meer beslissende rol in de toekomst van het land te kunnen spelen.

Maar… Annie was toch wat teleurgesteld in Merauke, dit was niet het Nieuw Guinea dat de ‘rimboe paters’ haar hadden voorgehouden.

Vervolg: Tanah Merah