Paul Budde
  • PaulBuddeHistory.com covers the historical interests and projects of amateur historian Paul Budde; tracing the broader Budde family history back through North Germany and the Baltic region.

    His personal interest is in medieval North Western Europe. Also covered is the local history of Bucketty, NSW, Australia.

Paul Budde's History Archives

Tanah Merah

De rimboe in

Ze was er daarom dan ook als de kippen bij toen er in midden 1957 een positie vrijkwam in Tanah Merah, het beruchte verbanningsoord aan de Digul Rivier. Zoals ze het zelf omschreef: ‘Midden in het binnenland in het hart van de bush-bush’. De plaats was indertijd zorgvuldig gekozen, door het koloniale bestuur in Nederlands Indië, de dichtstbijzijnde volgende plaats was maar liefst 50 km verderop.

Het plaatsje, waarin de gevangenis in Annie’s tijd nog steeds een dominerende positie innam had een somber karakter, ook dus na concentratiekamptijdperk. Tijdens haar tijd in Tanah Merah waren de gebouwen in gebruik als een gevangenis voor gedetineerden die een straftijd van langer dan twee jaar moesten uitzitten. Vanuit de gevangenis waren er ook een aantal voorzieningen voor de plaats zelf; er was een kleermakerij, een wasserij,  meubelmakerij en er werden hier ook varkens, geiten en paarden gehouden en volgens het Vademecum voor Nederlands Nieuw Guinea van1956 was er toen een plan voor het houden van koeien.

Naast de gevangenis was de Tangsi (kazerne), de politiepost. Thans staan deze barakken er niet meer. Er zijn alleen nog sporen van de fundering te vinden in de omliggende jungle. (Voor verdere gegevens zie de bijlage ‘Beknopte geschiedenis van Nieuw Guinea)

De plaats is nu de hoofdstad van het Mandobo district. Het hele gebied Boven-Digul telde in de koloniale tijd ongeveer 15,500 inwoners. Tanah Merah telde ongeveer 6,000 zielen (waarvan in 1956, 45 Europeanen en 98 Aziaten) er was een kleine vliegstrip dat dankzij een twee wekelijkse dienst  in een uur per vliegtuig bereikt kon worden vanaf Merauke.

De nederzetting lag, volgens de herinneringen van een voormalige resident, Karel Knoder, in een troosteloze vlakte met een leemachtige bodem waarop niets kon worden verbouwd. Tanah Merah betekent ‘rode aarde’. Het jaar 1955 telde, volgens het Vademecum,  247 regendagen met een totale neerslag van 5061 mm. De kampong zelf was kleiner dan een dorp, maar van hieruit werd ook kontact onderhouden met de honderden andere kampongs en nederzettingen in het district.

Het was dus niet de meest geliefde plaatsing onder de expatriates. Er was beperkte elektriciteitsvoorziening (1800-06.00 uur), geen stromend water, geen wegen, een Chinese toko (winkel voor basis behoefte), met andere woorden een kolfje naar Annie’s hand. Ze heeft hier vijf fantastische jaren doorgebracht.

Een kleine rivier, de Wet genaamd, loopt door het midden van het dorp. (Het Nederlandse woord “wet”) Deze rivier scheidt het gebied waar de gouverneur van de Nederlandse Regering woonde, van het voormalige kamp.

Vlak bij de Digul stonden ook de woningen van het gouvernementspersoneel en van de missionarissen en zendelingen. Er was hier ook een klein ziekenhuis met tien bedden en een arts en een verpleegster. De RK kerk werd bediend door twee geestelijken er was ook een klein klooster en een Protestants kerkje waar van tijd to tijd Maleise diensten werden gehouden. Verder was er hier de politiekazerne, het bestuursgebouw en een dependance van de bibliotheek van Merauke en een school waar Annie werkte.

Het postkantoor zorgde voor de enige vorm van communicatie, er was een telegraaf en radio verbinding met Merauke. De enige keer dat Annie die gebruikt heeft was toen haar vader ernstig ziek was. Een telegram van Nederland melde haar het trieste nieuws wat tot haar vervroegd verlof in 1959 leidde.

Tanah Merah was ook een belangrijke overslagplaats voor goederen die verder naar Mindiptana vervoerd moesten worden, en dit leverde ook een, zij het wat kleine, handelsfunctie aan de plaats. Het laden en lossen werd uitgevoerd door de gevangenen.

De dichts bijzijnde missieburen woonden in Mindiptana, een voettocht van 5 dagen, die Annie ook een paar keer heeft afgelegd.

Vervoer

De tocht van Merauke naar Tanah Merah werd per twee wekelijkse lijnvlucht van de Kroonduif gemaakt en Annie herinnert zich nog de enorme’ boerenkool’ waar ze overheen vloog, zo zag het ondoordringbare oerwoud in haar ogen eruit. De enige andere manier om in Tanah Merah te komen was per boot uit Mindiptana, deze leverde eenmaal per maand het voedsel aan, althans dat was net als voor de  lijnvlucht de officiële dienstregeling, de plaatselijke situatie, weersomstandigheden en de bijna onmogelijke logistiek zorgden echter voor een groot aantal uitdagingen en menige vlucht en boottocht vielen daarom dan regelmatig uit. Een nog onregelmatige bootdienst was er met Mappi.

Op het land was het enige vervoermiddel de jeep van de controleur, maar zonder officiële wegen kwam men daar ook niet al te ver mee. Op een van Annie’s filmpjes is te zien hoe moeilijk het is om tochten (tournees) te maken met deze jeep, het gaat ven het ene modderbad over in het andere. Met deze ene uitzondering zijn alle overige tournees van Annie of te voet of met de boot geweest. Het meest gebruikte vervoermiddel was dan ook duidelijk de benenwagen. Net voor de overdracht aan Indonesië kwam de rubberweg naar Mindiptana gereed.

Het onderwijs

Annie werd de eerste niet religieuze onderwijzeres op de plaatselijke missieschool, een klein gebouwtje met een dak van bladeren. In een brief beschrijft de zesdeklasser Lucas Tonggut (zie hoofdstuk hieronder) deze school “Onze school is gebouwd uit gabgaba en atap.”  Gaba-gaba is de bladnerf van de sagopalm, deze werden gebruikt voor de wanden en atap zijn de bladeren zelf, deze werden voor het dak gebruikt. Dit maakte het binnen redelijk koel en het hield de regen goed buiten. Het was een gemengde school, alles bij elkaar een groot verschil met de scholen in Merauke. De school maakte deel uit van het missie-internaat dat bestond uit een jongens- en uit een meisjesinternaat, hier verbleven de kinderen die verder af woonde. In zijn brief schrijft Lucas ook dat in 1962 de 5de en 6de  klas ieder 12 leerlingen telde.

Tijdens tournees naar de kampongs verder in het binnenland, waarover later meer, was het belangrijkste contact met de dorpshoofden en de medicijnmannen. Deze leiders waren over het algemeen zeer intelligente mensen en toonden vaak grote belangstelling voor onderwijs en andere ‘westerse’ nieuwigheden. Als deze interesse getoond werd, bood de missie aan om de kinderen van het dorpshoofd onderwijs te geven in Tanah Merah, vaak met zeer goede gevolgen. Deze ‘hutan’ kinderen kwamen dan op het internaat terecht (hutan/oetan betekent oerwoud). Het spreekt voor zich dat als de kinderen van het dorpshoofd onderwijs gingen volgen, anderen kinderen van het dorp vaak ook volgden.

Er was een enorm verschil tussen het onderwijs in Merauke en Tanah Merah, men was uiteraard in de ‘grote stad’ al veel verder, het onderwijs was daar al veel eerder op gang gekomen. In een cultuur zonder formeel onderwijs was het ook onmogelijk om het Nederlandse stramien klakkeloos te introduceren. Men had geleerd van Nederlands Indië en er werd veel meer aandacht geschonken aan de plaatselijke cultuur, de plaatselijke natuur en het feit dat de kinderen regelmatig terug de bush in wilden om weer contact te maken met hun eigen cultuur. Deze flexibiliteit werd door de schoolleiding ingebouwd en de onderwijzers gingen soms ook met de leerlingen mee de bush in, waar dan hutten werden gebouwd, eten verzameld, enz.

De onderwijssituatie kreeg grote aandacht van de Nederlandse regering vooral toen het duidelijk werd dat de onafhankelijkheid van Nieuw Guinea versneld moest worden. Op dat moment dacht het bestuur nog dat dit onafhankelijk van Indonesië zou plaatsvinden. De meest intelligente kinderen kregen als het ware een spoedcursus om leiderschapposities in een onafhankelijk Nieuw Guinea in te gaan innemen. De middelbare school was in Merauke en voor het hoger onderwijs moest men naar de Hollandia. Later waren er ook scholen voor het voortgezet onderwijs in Mindiptana.

Typische vervolgopleidingen waren er voor onderwijzer(es), verpleger/verpleegsters en voor landbouw en administratieve beroepen. Veel van de leiders van het verzet (o.a. de inmiddels vermoorde Theys Eluay) hebben onderwijs genoten op de toenmalige Nederlandse scholen in Nieuw Guinea.

Lukas Tonggut

In het kader van het onderwijs aan beide kanten van de wereld heeft Annie een aantal kinderen aan het schrijven gezet, een bloeiende correspondentie ontstond er op die mannier tussen kinderen in Tannah Merah en schoolkinderen in Twente, maar ik zat ook in het circuit. Mijn correspondentie vriendje was Lukas Tonggut. Hij zat op het internaat waar Annie les gaf en zijn familie woonde in het dorp Jauta, ongeveer een kilometer van Tanah Merah. De eerste brief kreeg ik van hem toen hij net als ik in de zesde klas van de lagere school zat. In totaal zaten er 12 kinderen in zijn klas, vier meisjes en acht jongens. De 5de klas was, zo schrijft hij in een van zijn brieven net zo groot, ook 12 kinderen (vijf meisjes en zeven jongens).

Tanah Merah 16-2-‘62
Beste Paul,
Ik woon in Tanah Merah in het internaat. Ik zit ook in de zesde klas. Hier in Nieuw Guinea zijn veel oerwouden. En hier regent ’t veel. En ook veel paradijsvogels. Als de zon onder gaat, dansen paradijsvogels. En hier in ’t bos zijn veel paradijsvogels. En de paradijsvogels dansen al de zon op komt. Hier in het bos zijn veel kasuarissen en ook veel varkens. Vriend, ik heb een prauw gemaakt. Heel klein en heel mooi. Als ik roei gaat het snel over ’t water. En elke zondag ga ik vissen. Met mijn kleine prauw. Maar nu is mijn prauw weg. Het is erg jammer. Maar dat is niet erg, want ik ga vaak duiken. Ik heb een duikbril. En ik kan visvangen met de duikbril. En ik ga vaak naar het sagobos veel grote sagobomen en kleine sago bomen. In het sagobos zijn veel dorins (red.dorens?). En hier in het bos zijn veel bloedzuigers en veel muskieten. Het is nu kwart voor negen. We krijgen nu taalles. De vijfde klas gaat nu een brief schrijven. Vandaag is ’t mooi weer. Het is warm vandaag. Hier in Tanah Merah regent ’t veel. Ik heb veel van het bos verteld. Daag. Daag.
Hartelijke groeten van Lukas Tonggoet je vriend.

Na de lagere school is hij, samen met zijn twee vrienden Clemens and Albertus, naar Mindiptana verhuist. Lucas ging daar zijn onderwijs voortzetten aan het Opleiding Dorps Onderwijzers (O.D.O). Een nieuwe, zes klassen school, was net voor zijn schooljaar klaargekomen. Zijn twee vrienden gingen daar naar de landbouwschool.

In een brief die ik van Annie voor mijn verjaardag in 1962 ontving schrijft ze dit over Lukas. “ Vanmorgen zijn de jongens vanhier vertrokken. Ze moeten vijf dagen door de hutan (bos) lopen om in Mindiptana te komen en dan komen ze maar twee keer een kampong tegen. Om ’s nachts te kunnen slapen moeten ze eerst zelf ’n bivak maken. Je kunt wel met een boot naar Mindiptana maar dat kost geld en dat hebben die jongens niet.”

In een brief van Lucas aan Annie, kreeg ik in 1965, vanuit Mindiptana, nog een laatste groet van hem.

“ Juf ik kan niet een brief voor Paul schrijven, omdat er is geen postblad. Ik vind erg jammer dat ik geen brief naar hem schrijf. Ja ik wil wel een brief schrijven naar hem schrijven, maar er zijn geen postblad. Maar veel groeten van mij. L. Tonggut. Ik zal een brief naar hem schrijven als ik een postblad heb Juf”

In diezelfde brief schrijft hij ook: “ Juf ik schrijf veel fouten omdat ik al vier jaar lang geen nederlands gepraat. Juf ik schrijf nog een keer lacht me niet uit. Al veel nederlandse woorden heb ik vergeten. Maar ik vergeet niet alles. Ik weet nog een klein beetje.”

In een van zijn brieven gaf Lukas aan dat hij na the ODO zijn studie voor onderwijzer wilde voortzetten aan de kweekschool in Hollandia (een extra 2 jaar). De vraag is of hij daarvoor ooit de kans heeft gekregen.

Met het oog op Paul’s postzegel verzamelhobby werden er vaak mooie postzegels op de brieven geplakt of werden ze als eerste dag enveloppen verstuurd.

De Papoea’s

Annie beschrijft de Papoea’s als een mooi en fier volk, er heerste zeker geen onderdanigheid ten opzichten van de blanken, vaak tegenovergesteld. Dit is ook zeer duidelijk zichtbaar op de films waar de trotse Papoea’s en de blanken als gelijkwaardig met elkaar omgaan. Pas tegen het einde van haar periode begon daar verandering in te komen. De Indonesische invallen en de houding van de Indonesiërs ten op zichten van de Papoea’s leidden tot een situatie van onderdrukking, waar de Papoea’s grote moeite mee hadden.

Hoewel de Papoea’s in dorpen wonen is hun levenspatroon semi-nomadisch. De meeste dorpen liggen aan de voet van het hooggebergte, aan de kust of in de buitenbochten van de vele rivieren die het land doorkruisen. Oorspronkelijk zullen in de meeste dorpen niet veel meer dan 50 mensen gewoond hebben. Tegenwoordig variëren ze in grote tussen de 35 en 3,000 bewoners.

De samenleving is patriarchaal, de mannen zijn de stamhoofden, krijgers, houtsnijders, drummers, bewakers, hoofdacteurs. Ze bouwen de prauwen, huizen, helpen met het vergaren van sago en jagen op wilde varkens en krokodillen. De vrouwen zorgen voor het gezin en het huis, verzamelen brandhout, vissen, halen drinkwater, weven matten en tassen en bereiden het voedsel. Het werk van de vrouwen wordt als een belangrijk onderdeel gezien van de economische macht van haar man.

Zowel mannen als vrouwen kunnen magische krachten bezitten.

De Nederlandse gemeenschap

In het begin gaf Annie onderwijs samen met Keiese meisjes. Een half jaar na haar aankomst kreeg ze er een Nederlandse collega bij Piet van den Hout. Piet nam de bovenbouw van het onderwijs voor zijn rekening. Hij vestigde zich in Tanah Merah samen met zijn vrouw Truus en hun pas geboren dochtertje. Pastoor Karel Huiskamp was de religieuze leider. Dit groepje bouwde van hieruit een levenslange vriendschapsband met elkaar op

In Tanah Merah arriveerde ook dominee Drost met zijn familie. De ‘concurrerende’ religies brachten de nodige problemen met zich mee want er was natuurlijk geen ruimte voor verschillende scholen, ziekenhuizen, enz. Na aankomst in Tanah Merah zei een van de kinderen van de dominee, zeer verbaast, tegen zijn moeder: “Mama die vrouw heeft haar longen op haar blote borst hangen”.

De andere Nederlanders hier waren dokter Janmaat en zijn toekomstige vrouw. Zij trouwden in Tanah Merah. Kees Verhagen had de leiding van het jongens internaat, de zusters hadden de leiding van het meisjes internaat. Andere onderwijzers in Tanah Merah waren Piet van den Hout en Geesje Hoekstra.

Op zondag na de mis was het vaak koffiedrinken bij de familie van den Hout.

De vertegenwoordiger van het Nederlandse bestuur in Tanah Merah was Toon Fanoy (controleur Boven Digul). Hij trouwde er met Sannie Toers Bijns, de oudste dochter van de ter plaatse wonende inspecteur van politie. In 1960 maakte ook de jonge bestuursambtenaar Theo Laumans even deel uit van die kleine katholieke gemeenschap, maar drie maanden later werd hij al weer overgeplaatst naar de Sibilvallei in het Sterrengebergte. Met de Cessna van de missie – bestuurd door de later verongelukte pater Vergouwen – werd hij vanuit Tanahmerah naar de Sibil gevlogen.

Het Nederlandse bestuur was er hoofdzakelijk om de ontwikkeling van de Papoea’s en hun land te bevorderen. Er was een zeer duidelijk beleidsverschil met de gang van zaken op het voormalige Nederlands Indië, waar zoals Annie dat beschreef het zelfbelang van Nederland een overheersende rol van bestuur speelde.

Koninginnedag in Tanah Merah

Verslag koninginnedag 1962
In een brief die ik van Annie kreeg (ongedateerd maar waarschijnlijk uit 1962) vertelt ze over het op komst zijnde feest.
“..Er komen ongeveer 800 kinderen hier uit andere kampongs. Daar moeten allemaal huisjes voor gebouwd worden, eten voor aangevoerd worden, spelletjes en prijzen georganiseerd worden enz. Dat is een reuze werk. Maar ’t is erg leuk als er zoveel mensen komen feest vieren……. We hebben een spelletje: tien klappers (cocosnoten) aan tien touwen hangen. De klappers witkalken en daar 3 stuivers insteken, die de kinderen er dan met de mond uit moeten halen. De witkalk moet natuurlijk nat zijn. Kun je lachen!”

Dit soort spelletjes werden ook herhaald tijdens de festiviteiten ter gelegenheid van het zelfbestuur van Nieuw Guinea toen het land ook een eigen vlag en volklied kreeg. Het is leuk om te zien dat de spelletjes die Annie hierboven beschrijft terug te zien zijn op de prachtige film die ze gemaakt heeft over deze voor het land zeer historische dag.

Een ander hoogtepunt in Tanah Merah was het bezoek van de Nederlandse Gouverneur. Ter verwelkoming stonden alle schoolkinderen aan de kade en Annie wist nog het liedje dat ze zongen: ‘Moriaantje zo zwart als roet”.

Wellicht was dit bezoek i.v.m. de opening van de rubberweg tussen Tanah Merah en Mindiptana, in april 1962. Dit project had 5 jaar in beslag genomen, en betekende een belangrijke ontsluiting voor het geïsoleerde Tanah Merah. Het zou een voettocht die normaal 5 dagen in beslag nam reduceren tot een aantal uren. Maar Annie heeft het gebruik van de weg niet meer meegemaakt omdat de opening kort voor de overdracht van het land plaatsvond.

Missieactiviteiten

Hoewel de missie activiteiten al sinds het einde van de 19de eeuw plaatsvonden, waren deze activiteiten beperkt tot vrij kleine gebieden. Zonder een infrastructuur was verdere ‘kerstening’ niet mogelijk. Merauke kreeg haar eerste missiepost in 1902.

Over het algemeen zorgde het bestuur voor de ‘rust en orde’ en voor een bepaalde infrastructuur, de missie en de zending speelden een belangrijke rol in het onderwijs en de gezondheidszorg.

Na de 2e Wereldoorlog werd met vernieuwde kracht tussen 1951 en 1958 het missiewerk in Nieuw Guinea aangepakt. De belangrijkste gebieden waren de Vogelkop en de plaatsen rondom Hollandia. Ook in de Baliem Vallei werd een missiepost opgezet. Deze vallei werd op 23 juni 1936 vanuit een watervliegtuig ontdekt door de Amerikaanse ontdekkingsreiziger Richard Archbold, tijdens zijn 3e expeditie voor het Amerikaanse Museum voor Volkskunde. Deze hoogvallei is 60 km lang en 15 km breed.

Op 20 april 1954 begon Lloyd van Stone met zijn missiewerk van de CMA (Christian & Missionary Alliance) onder de Dani stammen in het Asmat gebied.

In het midden van de jaren 50 jaren waren de zendelingen van de Gereformeerde Kerk in Zuid Nieuw Guinea, nieuwkomers. Er heerste, zoals hierboven al is vermeld, enige zorg over het feit dat de nieuwkomers tot concurrentie zouden leiden. Hierdoor zouden er kerken, scholen en ziekenhuis  gedupliceerd worden; wat zeer zeker niet ten goede zou komen van de plaatselijke bevolking. Deze situatie had zich al meerdere malen in Nieuw Guinea afgespeeld, gedurende de hele periode van het Nederlandse koloniale tijdperk.

Tot op heden vormen de plaatselijke priesters en predikanten de ruggengraat voor veel binnenlandse structuren. Ze hebben op de meeste plaatsen een goede naam en ze hebben het vertrouwen van de plaatselijke bevolking. Terwijl de meeste Papoea’s katholiek of protestant zijn is het vaak een dun laagje vernis, want al heel dicht daaronder manifesteert zich hun adat: hun oercultuur en hun oergodsdienst. Annie vertelt in een van haar films dat het doopsel en vormsel aansloeg, omdat de Papoea’s zelf ook inwijdingsrituelen kennen rond die leeftijd. Maar op de film is ook goed te zien dat de aanwezige ‘gasten’, the rest van de gemeenschap, in volledige Papoea tooi de feestelijkheden begeleiden, een duidelijke samenvloeiing van de adat met de nieuwe westerse (christelijke) cultuur.

Dat het leven van deze ontwikkelingswerkers niet altijd zonder gevaar is, blijkt uit het volgende. In 1968 werden twee protestantse missionarissen, de Australiër Stan Dale en de Amerikaan Phil Masters vermoord en opgegeten door kannibalen, tijdens een voettocht van Koruppun naar Nimia,

Ook was er een zeker spanningsveld tussen het bestuursapparaat enerzijds en de missie en de zending anderzijds. De Kepi moorden (zie bijlage) en het voorval met een priester die was weggelopen uit zijn missiepost om met aan Papoease vrouw te gaan samenwonen, scherpte de situatie soms aan. Mgr. Tillemans was een machtige persoon die niet schroomde om zijn politieke invloed (via de KVP) te gebruiken. Over het algemeen echter werkten de groepen nauw samen in wat we thans ontwikkelingshulp noemen.

De 2de missie periode (sinds de jaren 50) was duidelijk anders dan die van voor de Tweede Wereldoorlog. Met etnologen aan boord was men veel voorzichtiger met de adat en het advies en beleid was er op gericht om dat niet radicaal te veranderen. Annie vertelde dat het zwaartepunt lag op onderwijs en voorlichting. Kindersterfte was enorm en hygiëne was daarom een belangrijk element.

Maar ook hier was het oppassen geblazen; zo gauw de rieten rokjes door kleren werden vervangen, kreeg men te maken met verkoudheid. Rieten rokjes waren  veel doelmatiger in de plaatselijke situatie. Na een buitje regen droogden deze rokjes snel weer op; werden ze weer vies dan was een buitje regen voldoende om ze weer schoon te spoelen. Textielkleding droogde natuurlijk niet zo snel op en het vuil bleef erin zitten. Ze bleven vaak met deze vuile kleding rondlopen, op dezelfde manier als ze gewend waren om in hun rieten rokjes rond te lopen, alleen deze werden elke keer natuurlijk schoongespoeld en de kleding niet. Van kleren wassen hadden ze nog nooit gehoord en zeep kwam in hun dagelijks leven  niet voor. Op deze manier creëerde de westerse beschaving een heel nieuw gezondheidsprobleem voor de plaatselijke bevolking. Voordat de Papoea’s kleren konden gaan dragen moest er allereerst geleerd worden hoe ze met kleren om moesten gaan. Maar langzaam maar zeker drongen de westerse gewoontes toch steeds verder door.

Betere hygiëne betekende ook minder kindersterfte maar een toename in de bevolking ging niet gepaard met een gelijksoortige toename in de productie van het land. Er zijn veel meer voorbeelden van mislukte landbouwprojecten dan succesverhalen. Annie heeft in Tanah Merah verschillende van deze projecten meegemaakt: rijst wilde niet groeien op de schrale grond, pinda plantages begonnen er goed uit te zien totdat de insecten dat ook vonden, rubber plantages begonnen eindelijk goed te lopen, maarna het planten duurt het zeven jaar voordat de eerste productie geoogst kan worden., dus de Nederlanders hebben het resultaat niet meer kunnen meemaken.

De Nederlanders hebben van dit laatste project dus nooit de resultaten gezien en toen ze het land moesten verlaten, waren er talloze onafgemaakte projecten waarvan de vrees bestond dat er geen opvolging voor zou zijn. De nieuwe bestuurslieden vertegenwoordigden zelf een land dat alle zeilen bij moest zetten om hun eigen ontwikkeling in goede paden te leiden.

De Taal

De taal was weer een heel andere uitdaging voor de enorme afgelegenheid van de diverse stammen, bestonden er ook veel verschillende Papoea-talen. Het onderwijs werd direct in het Nederlands gegeven, d.m.v. de leerboekjes “Paradijsvogels”. Uiteraard spraken de kinderen in eerste instantie geen Nederlands, via de Keiese onderwijskrachten werd er Maleis geleerd en vandaar uit werd er weer naar het Nederlands vertaald.

De Tournees

Deze tochten het binnenland in waren de hoogtepunten van Annie’s tijd in Nieuw Guinea. Deze werden  meestal door de Nederlandse overheid georganiseerd om ook het binnenland onder het bestuur van ‘Pax Neerlandia’ te brengen. Onderwijs was hierin een speerpunt en Annie’s rol tijdens de tournees was dus duidelijk. Uiteraard gingen er ook missionarissen mee op deze reizen. De meeste deelnemers hadden een dubbele taak gedurende een dergelijke tocht. De dokter tevens als bestuurslid, de missionaris als dokter, enz. Er was ook vaak een etnoloog aanwezig, die meestal ook wat van de taal sprak. De groep was ruim voorzien van Papoea-dragers, die met het grootste gemak, blootsvoets door de rimboe trokken. Annie kan zich nog goed deze dragers voor de geest halen, met allerlei blikken en blikjes op hun hoofd en met touwen langs het lichaam. Ook haar kleren, waaronder keurige witte bloesjes werden in deze blikken vervoerd.

Het gebied in Zuid Nieuw Guinea was in de tijd van Annie nog maar sporadisch bezocht door blanken en er was altijd grote belangstelling, verwondering en spanning als een tournee bij een stam arriveerde. Nieuws over het aankomend bezoek ging als een lopend vuurtje rond en vaak waren de dorpen die bezocht werden daarvan op de hoogte. In sommige gevallen betekenende dat een feestelijke ontvangst, zoals op een van de films te zien is,in andere gevallen was de nieuwsgierigheid groot en soms ook werd zo’n bezoek minder op prijs gesteld.

Tijdens een van de bezoeken vertaalde de meereizende etnoloog voor Annie dat er heel wat discussie plaatsvond over haar, ze droeg een driekwartsbroek en de Papoea’s konden het er niet over eens worden, was ze nu een man was of een vrouw. Ook het concept van schoenen was nieuw en men vond dat die blanken toch wel gekke voeten hadden. Schoenen kregen daarom dan ook veel belangstelling van de Papoea’s.

Tanah Merah was het centrum van een vrij groot gebied in het noorden van Zuid Nieuw Guinea en was daarom dan ook een belangrijke startplaats voor tournees. De gemiddelde duur van een dergelijk tournee was zes weken.

De tochten werden per boot maar grotendeels te voet ondernomen en ondanks de ontberingen stond Annie altijd voorop om mee te gaan. De tochten begonnen ’s morgens vroeg en men liep door tot 4 uur ’s middags. Vaak vol bloed van de velen schrammen werd dan een kampement opgezet. Er werden hutten gebouwd en vuurtjes aangelegd om bescherming te bieden tegen de slangen en de muskieten. Dit werd meestal gedaan aan de oever van een riviertje, en de eerste activiteit na aankomst was dan ook baden (mandiën) in het riviertje. Annie verscheen dan weer tot ieders vermaak in een hagelwit bloesje. Ze was een welkome gast op de tournees, had geen problemen met de voettochten, was nooit moe, een enthousiasteling en een eeuwige optimist (ze is dus nooit veranderd). Om 8 uur lag iedereen in bed, want de volgende ochtend om 6 uur was het weer reveille. Het werd er even snel donker als dat het plotseling weer licht werd.

De dorpen leverden ook altijd hun aandeel in de opwindende sfeer van deze tournees. De ontvangst was bijna altijd zeer gastvrij, er werd officieel verwelkomd door het dorpshoofd en zijn delegatie was in vol ornaat aanwezig op de aanlegsteiger. Daarna volgden de besprekingen in het dorp waar bestuurszaken, onderwijs en later ook de op handen zijnde onafhankelijk van het land werden besproken.

Een bezoek naar de missie buren in Mindiptana was een voet- en boottocht van 5 dagen.

Er was maar een beperkte voorraad levensmiddelen beschikbaar voor een dergelijke trip dus vaak moest daar onderweg aan gewerkt worden. Op de boot werden er vissen gevangen en zelfs krokodillen. De boottocht naar Getenteri ten zuiden van Tanah Merah met Pater Lou Jόtte is op een van de films vastgelegd. Deze missionaris komt  in actie en schiet met een vaste hand krokodillen dood met een enkel schot. In Getentrie waar zijn missiepost was bouwde hij eigenhandig een prachtig kerkje en hij was ook zeer bekwaam als een pseudo-dokter. Een typisch voorbeeld van de soort van Nederlanders die een enorme bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van het land, gewoon door daar te zijn, en door een voorbeeld te zijn, zonder al te veel poespas, een top kwaliteit ontwikkelingswerker.

Maar het waren niet de krokodillen die deze expedities bijna ondraaglijk maakte, maar de muskieten. Annie en haar collega’s hebben vaak tegen elkaar gezegd dat ze vele malen liever leeuwen en tijgers om zich heen hadden dan muskieten. ‘s Avonds even buiten naar het toilet gaan was nagenoeg onmogelijk. Eenmaal onder het muskietengaas in de tent was het altijd afwachten of er een mug zijn weg naar binnen had gevonden. Met de zaklamp onder de arm moest er dan geprobeerd worden om die mug te vangen. Toen Annie in Nederland op verlof ging kreeg ze op de 3de dag naar aankomst een lichte vorm van malaria, maar na een kuur is deze ziekte nooit meer teruggekomen.

De informatie en de ervaringen opgedaan tijdens deze tournees zijn Annie haar hele leven bijgebleven en hebben een diepe indruk op haar achter gelaten en een duidelijke stempel gedrukt op de rest van haar leven.

Varkensfeesten

Hoogtepunten in Annie’s verblijf waren de varkensfeesten die regelmatig plaatvonden. Op een van de films is te zien hoe Annie met een grote glimlach op haar gezicht paradeert tussen de Papoea-mannen ,uitgedost in indrukwekkende oorlogsuitrustingen.

Het was niet eenvoudig om precies uit te vinden wat nu precies de achtergrond van deze varkensfeesten is, iedereen praat er over en nog steeds is dit een belangrijk cultureel onderdeel van de Papoea samenleving. Met de hulp van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) heb ik wat meer achtergrondinformatie kunnen opsporen. Het varkensfeest is een festiviteit van de Papoea’s die vaak om de paar jaar plaats vindt en wordt georganiseerd door  clans die samenwerken in de oorlog tegen andere clans.. Zoals hieronder verder staat beschreven  is oorlog  een heilige plicht tegenover de voorouders.

Het varkensfeest wordt gebruikt voor een verzameling van ceremonies, waarvan de voornaamste zijn:
·    het uithuwelijken van alle huwbare meisjes tussen de aaneengesloten oorlogsclans;
·    initiatie van de jongens tot volwassenen en krijgers;
·    het herdenken van de doden die gevallen zijn sinds de laatste oorlog, en
·    het belonen dmv dit feest van allen die destijds door  werk, geschenken en betalingen bijgedragen hebben  aan de dodenceremonies.

Een groot aantal varkens wordt dus geslacht. Het varkensfeest is daarom uitgegroeid tot een uiterst belangrijk onderdeel van de Papoeaase samenleving met als resultaat dat de band tussen de aaneengesloten clans continue versterkt en bevestigd wordt. Terwijl het vroeger vooral de introductie tot een nieuwe oorlog met andere stamgroepen inluidde die op dezelfde manier te werk gaan, hebben deze feesten tegenwoordig  meestal een veel vreedzamer karakter.

Volgens het KIT zijn de meeste varkensfeesten van Papoea’s overal een beetje hetzelfde, maar er zijn wel geografische verschillen. In sommige streken (Wisselmeren?) kan de bedoeling ook meer commercieel zijn: handelspartners zoeken. Een soort zakenlunch

De cultuur en samenleving in Tanah Merah

Adat

Net zoals in Merauke woonden ook hier de Papoea’s met hun families in kleine dorpjes rondom Tanah Merah. Veel huizen hier waren in de bomen gebouwd waar je met een ladder gemaakt van lianen naar binnen ging. De bomen zwaaiden heen en weer en men ging hier dan ook niet op huisbezoek maar op zwiepbezoek!

Er zijn belangrijke verschillen tussen de adat van de diverse stammen. De volgende hoofdstukken beschrijven de cultuur en de samenleving van de dorpen waar Annie met de Papoea cultuur in aanraking kwam.

Adat kan beschreven worden als een combinatie van plaatselijke tradities, zeden, leefgewoontes en gebruiken. Vaak staan deze in nauw verband met de wet van de betreffende stam(men). Het adat- of ongeschreven volksrecht werd ook door het Nederlandse bestuur in acht genomen. Het is interessant om te lezen hoe de Nederlandse bestuurders daar mee omgingen en vooral ook de moeilijkheden die men hierbij ondervond. In het uiterste geval kon een moord een vanzelfsprekend onderdeel zijn van het adatrecht, maar dit was onmogelijk goed te keuren vanuit de westerse wetgeving.

Annie beschrijft  hoe moeilijk het is om de twee culturen samen te brengen, of beter ze beschrijft de onmogelijkheid daarvan. Het was niet mogelijk voor een blanke om opgenomen te worden in de Papoea-adat. Maar op hetzelfde moment was het ook niet te begrijpen voor de Papoea’s, vooral in de begin periode, dat deze blanken niet eenzelfde adat bezaten als zijzelf. Dit leverde enorme verwarring op: blanken werden vaak als verstoorde voorvaderen gezien en menig Papoea herkende een gestorven familielid in de een of andere blanke.  Misschien, zo dachten weer anderen, waren zij geesten. Maar hoe dan ook deze blanke stam had het goed voor elkaar want ze hadden een onbeperkte toevoer van voedsel, materiele goederen en nieuwigheden waar de Papoea’s niets van begrepen. Hieruit ontwikkelde zich, net als in andere ‘eerstencontact’ gebieden een ‘cargo cultus’. Door geheimzinnige formules, toverkrachten en ceremoniën, dacht men dat ook zij hun voorvaderen zouden kunnen bewegen om vrachtschepen en boten vol met de begeerde goederen te laten aankomen, net zoals de blanken dat kregen. Aangezien de blanken simpelweg via de radio of telefoon goederen bestelden en daarna ontvingen werden er b.v. rotan draden naar de graven van de voorvaderen aangelegd. Men dacht dat met de juiste ceremoniën (sia sia) de bestellingen dan aan zouden komen, zonder dat er voor gewerkt behoefde te worden. Deze cargo kult werd zeer streng door de Nederlanders aangepakt, want niet zelden kwamen in deze ceremoniën mensenoffers en (vrouwen)mishandeling voor, verder liep de economie van het dorp natuurlijk hard achteruit als men bleef wachten op de sia sia bestellingen.

De Asmatcultuur was volgens Annie de meest geheimzinnige van allemaal en het was onmogelijk om daar diep in door te dringen. De Asmatters waren uiterst zelfverzekerd en lieten zich niet snel door westerse bestuurders en missionarissen beïnvloeden. Asmatters hebben een uitstekend communicatiesysteem d.m.v. tekens, vaak gemaakt met stokjes. Boodschappen konden op die mannier snel verspreid worden en vaak waren de dorpen al lang op de hoogte van bijvoorbeeld een op komst zijnde expeditie, onderzoekscommissies, enz.

Soms kwam Annie dergelijke tekens tegen tijdens een expeditie, maar zelden was een blanke in staat om een dergelijk teken op de juiste mannier te interpreteren. De jongere antropologen en missionarissen hadden vaak een beter begrip van de cultuur en het communicatiesysteem daaromheen. Vaak werden deze jongere bestuursleden vijandig benaderd, vooral door dorpshoofden. Hun kennis van geheime zaken maakten hen zeer machtig en men zag dit niet graag ondermijnd door de blanken.

Annie vond de Moyo en Mappi Papoea’s veel makkelijker in de omgang, het was minder moeilijk om contact met hen op te bouwen. Dit leidde vaak en snel tot hele vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee culturen.

Sociale relaties

In sommigen kampongs woonden echtparen samen met hun kinderen in hun eigen ‘zwiephutten’. In andere nederzettingen waren er mannen- en vrouwenhuizen.

De mannenhuizen hebben verder ook een meer centrale plaats en hier vinden ook vaak ceremoniën plaats. Deze vorm van samenleving leidt tot ‘imui’ banden. Deze kunnen ook tussen vrouwen plaatsvinden. Ze vormen een belangrijk onderdeel in de complexe relatieverbanden binnen hun samenleving en worden vaak voor het leven gemaakt. Inbreuk op de imui kunnen tot serieuze sociale problemen leiden. Antropologen zijn het er niet over eens in hoeverre de (homo)seksuele aspecten van deze vorm van samenleving een belangrijke rol spelen.

Rond de puberteit krijgen de jongens een 2de initiatie, een grote neusdoorboring. Een kleinere doorboring vindt plaats na de geboorte. Na de 2de initiatie verblijven de jongens, tot ze trouwen, in het mannenhuis.

De sterke band tussen mannen is ook in de dorpen waar te nemen, waar men vaak hand in hand loopt. In de traditionele dorpen komt men deze zelfde vorm van genegenheid tussen mannen en vrouwen zelden tegen.

De meeste huwelijken zijn monogaam maar polygamie is toegestaan en het wordt hoog aangeslagen als een man meerdere vrouwen kan onderhouden. De vrouwen van dezelfde man en hun jongere kinderen verblijven vaak gezamenlijk in het vrouwenhuis. Deze vrouwen verblijven in kleine groepjes bij elkaar. Maar iedere vrouw heeft haar  eigen kampvuurtje waar ze met haar eigen kinderen om heen zit. Andere vrouwen, inclusief die van dezelfde man hebben ieder hun eigen plaats in deze vrouwenhuizen.

Na het huwelijk trekt de vrouw bij de man in. In het geval van meerdere vrouwen, vertrekken, bij de dood van de man, behalve de eerste, de andere vrouwen meestal terug naar het huis van hun ouders.

Sociale verplichtingen over en weer tussen families en dorpen zijn van levensbelang. En het niet nakomen van deze verplichtingen kan leiden tot een stammenoorlog. Partnerruil wordt ook toegepast in deze sfeer en wordt gezien als uiterst productief voor de onderlinge verstandhoudingen. Huwelijken worden vaak gearrangeerd door zusterruil en om de balans helemaal goed voor te bereiden worden sommige zusters al geruild vlak na de geboorte. Met een kindersterfte van 50% levert dat dan weer vaak problemen op die de boel weer uit balans brengen. Zwangerschap regelt de balans tussen het de levende en de overleden familieleden.

Seksualiteit en voortplanting

De relatie tussen seks en zwangerschap en religie en magie en zwangerschap lopen door elkaar heen. Men kan zwanger worden als een groene boomkikker op de schouder van een meisje springt. Het op de juiste tijd op de juiste plaats zijn kan tot zwangerschap leiden en bepaalde waterplaatsen op de kruispunten van rivieren, waar geesten wonen zijn hiervoor zeer geschikt. Een geest die zich in de vrouw tot mens reïncarneert, wordt als zeer positief ervaren.

Mannelijk zaad voedt de vrucht in de baarmoeder en de penis speelt een belangrijk onderdeel in het vormen van het kind.

Na de geboorte mag er geen gemeenschap plaats vinden tot dat het kind kan lopen. Naast het feit dat dit een belangrijk sociaal aspect heeft, produceert volgens het Papoea geloof gemeenschap ten tijde van deze periode een negatieve energie, die het kind niet kan verdragen.

Kinderloze vrouwen worden niet hoog aangeslagen en gestigmatiseerd omdat ze niet aan de voortzetting van de familie bijdragen.

Mannelijke potentie is een groot goed, dat blijkt ook uit de peniskokers en de diverse houtsnijwerken, waarin de penis een centraal onderdeel vormt. Mannelijkheid, heldhaftigheid, moed, en het doden van vijanden zijn allemaal tekens van een hoge mate van potentie.

Dood en begrafenis

Het zal nu wel duidelijk zijn dat de dood ook een belangrijke rol in de balans speelt. De balans tussen de spirituele wereld en de levenden. Baby’s en ouden van dagen sterven een natuurlijke dood en gaan automatisch over naar de spirituele wereld (Safran). Baby’s sterven door een gebrek aan levenskrachten, deze worden yuwus en ndamup genoemd.

De Papoea’s geloven ook dat jonge kinderen (50-60% sterft onder de 5 jaar) kiezen om te sterven omdat ze door hun familie worden verwaarloosd of slecht worden behandeld.

Maar problemen ontstaan er als er mensen sterven door kannibalisme, kwaadaardige tovenarij of tijdens de geboorte. De zielen van deze doden gaan niet naar Safran, voordat de balans is hersteld. Het is onduidelijk of en hoe de ziel van een vrouw, die in het kraambed sterft, kan worden bevrijd. Haar geest is daarom gevaarlijk voor haar familieleden en special voor haar man.

De meeste Papoea’s sterven voor hun 50ste jaar en er zijn er maar weinig die de 60 halen. Malaria, longontsteking en ziektes door parasieten veroorzaakt zijn de belangrijkste doodsoorzaken. Af en toe steekt er ook een cholera-epidemie de kop op.

Begrafenissen vinden nog dezelfde dag plaats. De hoge grondwaterstand bemoeilijkt het begraven. Lichamen worden verankerd met stokken. In sommige dorpen begraaft men haar doden en in ander dorpen worden ze op rekken geplaatst aan de rand van het dorp. Schedels worden soms als amuletten gebruikt of als hoofdkussens om de gedachtenis in ere te houden of om bescherming af te roepen.

Voedselvoorziening

Ondanks het feit dat de Papoea’s tot de eerste mensen behoren die het agrarische tijdperk betraden (ongeveer 9,000 BP) bleek dit voor de kust bewoners uiterst onpraktisch. Het moeras bood daar weinig mogelijkheden voor en zodra je een stukje groen had schoongemaakt werd de grond door de regen weggespoeld. Jagen en verzamelen leverde meer dan voldoende voedsel op. Het stapelvoedsel is sago maar dat heeft een erg lage voedingswaarde. Dit werd aangevuld door vis, vlees van de diverse dieren, larve, fruit en eigenlijk alles wat eetbaar is binnen hun gebied.

De Nederlanders waren een heel andere voeding gewend. Maar de voedselvoorziening voor mensen in Tanah Merah was zeer ongeregeld. In principe kwam deze eenmaal per week per boot vanuit Merauke, maar de weersomstandigheden lieten dat niet altijd toe. Annie vertelde ook dat een ander probleem was dat je eigenlijk nooit alles tegelijk had om wat lekkers te maken. Je had of boter, of meel, of eieren, een zeldzaamheid dus als je een lekkere koek kon bakken. Truus van der Hout stond bekend om de grote mate van creativiteit die zij naar voren bracht om met weinig en vreemde ingrediënten, vaak toch maar weer iets lekkers te produceren. Over het algemeen bestond het eten uit: sago, kanggung (een onkruid dat smaakte naar bittere spinazie) en scheuten van de sagopalm.

Erwtensoep in de tropen

Annie’s moeder stuurde haar regelmatig ‘lekker’ eten in blik toe. Deze kostbaarheden werden voor zeer  speciale gelegenheden bewaard. Een tochtje met de prauw over de Digul samen met Piet van het Hout en een groep Papoea kinderen duurde wat langer dan gepland. Op de een of andere mannier was er een blik erwtensoep aanboord, Annie kon zich niet meer herinneren hoe dat aan boord was gekomen, want er was verder geen kook of eetgerei aan boord. Enfin, op de oever werd een vuurtje gemaakt en het blik werd in dikke bladeren gewikkeld en in het vuurtje gezet. En ja hoor na verloop van tijd sprong het blik door de hitte open. Met ‘borden’ gemaakt van de bladeren van de sagopalm werd deze erwtensoep heerlijk naar binnen gewerkt. Zo leerde je om je met zeer primitieve middelen te redden. Lege klapperboombasten kon je b.v. voor duizend- en een ding gebruiken.

Annie wist zich te herinneren dat deze boottocht plaats vond in de periode dat haar broer Dre in Nederland met de voorbereiding van zijn trouwerij bezig was. (begin 1962.) Ze had namelijk net een brief ontvangen van zijn toen aanstaande vrouw Fien die schreef over de voorbereidingen die ze aan het treffen was voor deze gebeurtenis.

Materiële middelen

Annie vertelde dat op het moment dat de Amerikanen voor het eerst naar de maan gingen, zij dacht aan het feit dat de meeste Papoea’s de werking van het wiel nog niet eens kenden. Hun gereedschap bestaat hoofdzakelijk uit steen: de stenen bijlen zijn waarschijnlijk duizenden jaren hetzelfde gebleven. Het is pas sinds zeer recentelijk dat dit gereedschap wordt vervangen door messen, metalen bijlen en …kettingzagen. Hoewel de meeste Papoea’s deze gereedschappen zelden bezitten, zijn de transmigranten uit Indonesië echter  wel de trotse eigenaren van deze nieuwigheden. Aardewerk was in Annie’s tijd hier niet bekend, in plaats daarvan gebruikte men hout en vooral ook de basten van de kokosnootpalm. Vooral Asmatters staan bekend om hun indrukwekkende houtsnijwerk, ze zijn daarvoor wereldberoemd. De reden daarvoor ligt in de religieuze relatie tussen de Asmatters en de bomen.

Het belangrijkste vervoersmiddel is de prauw, een kano die van een uitgeholde boomstam gemaakt wordt. Het is interessant om in de films van Annie te zien hoe eenvoudig de Papoea’s, staand in deze prauwen, hun balans weten te houden.

Ook in een van de films is het water halen door vrouwen vastgelegd. Met uitgeholde stammen, zeker  twee meter lang, gaan ze in hun prauwen naar een bepaalde plaats in de rivier waar ze de holle stammen vol water laten lopen. Het water wordt altijd op dezelfde plaats gehaald, dit zal hoogstwaarschijnlijk te maken met de kwaliteit van het water. Weer eenmaal terug bij hun hutten laat men het water in deze stammen staan, zodat het lekker koel blijft. Voor de film echter laat men zien dat een een dergelijk holle stam makkelijk een hele emmer vult.

De economie was op schelpen gebaseerd (kauri.) De vele expedities die in het begin van de jaren zestig zo populair werden hebben voor een grote ontwrichting van de Papoea economie gezorgd. Vooral de Franse expedities brachten zakken vol kauri schelpen mee om op deze, voor de Europeanen, goedkope manier de diensten van de Papoea’s te kopen. De enorme toevoer van deze schelpen leidde tot een grote inflatie.

Annie heeft ook duidelijk de economische verschillen tussen de stammen waargenomen. Uiteraard hangt dit samen met de vruchtbaarheid van de streek waar men woont. Volgens Annie hadden de Asmatters de beste economie. De visvangst, de sagopalmen en de kokosnootpalmen leveren een vaste opbrengst en de bevolking heeft daarom meer tijd voor ander activiteiten. Bij de Asmatters heeft dat zoals al eerder vermeld geleid tot een uitzonderlijke en hoogstaande vorm van houtsnijwerk.

Daartegenover stelde ze vast dat de Moyu (bergbewoners) veel meer tijd nodig hadden om in hun levensonderhoud te voorzien. Ze waren druk met ‘tjari makanan’, eten zoeken. Men was hier de hele dag bezig met het verzamelen van eetbare planten, wortels en kevers.

Godsdienst

Het leven van de Papoea’s wordt uiteindelijk door twee dingen bepaald: de omgeving waarin ze wonen en hun religie. Hoewel de meesten nu christenen zijn, blijft hun oergodsdienst een belangrijke rol spelen.

Hun leven is zeer nadrukkelijk bepaald door hun oergeloof, eigenlijk draait hun leven daarom heen. Voorvaderverering en het geloof in geesten zorgde ervoor dat alles gedaan moest worden om een balans te brengen tussen de werkelijke wereld waarin men leefde en de wereld van geesten. Om ervoor te zorgen dat deze balans in stand gehouden werd was het erg belangrijk om enerzijds gevaar af te weren en anderzijds moesten er stammenoorlogen plaatsvinden waarin anderen vermoord moesten worden om de balans te herstellen: dit ging gepaard met koppensnellen en kannibalisme. Om zich tegen deze oorlogen te beschermen werden er vaak uitkijktorens van 10 tot 20 meter hoog gebouwd om zodoende een beter uitzicht te hebben over de aankomende vijanden.

De nadruk in de religie ligt niet zozeer in goden en hun relatie maar hoe men kan leven en overleven in een wereld van geesten. Er zijn hier niet alleen de geesten van de voorvaderen; alle dieren, planten en objecten hebben ook hun eigen geest. Bochten in de rivier en plekken op de zeebodem zijn eveneens bezield. Deze geesten kunnen allemaal verstoord worden, waardoor mensen sterven, de jacht mislukt, ongelukken gebeuren, natuurrampen plaatsvinden, enz. Deze geesten zijn altijd en overal aanwezig. De Papoea personifieert alles in de wereld buiten zich om, alles om hem heen is bezield door geesten (animisme). De kosmos is de eenheid van deze gepersonifieerde geesten. Als er al een dualisme in het geloof bestaat is dat meer tussen de levende en de spirituele wereld, dan tussen goed (goden) en kwaad (mensen).

Jezus – de voorouder

Tijdens de tournees door het binnenland werden de religieuze zaken vanuit het christendom door de missionarissen met de bevolking besproken. Annie vertelde dat nadat in een van de dorpen de missionaris het verhaal van Jezus had verteld en hoe hij aan het kruis was gestorven, de bewoners werd gevraagd om dat in hun houtsnijwerk uit te drukken, omdat ze daar zo goed in waren. Toen de missionaris de volgende keer terug kwam en vroeg naar het houtsnijwerk kwam de man terug met een van de levensbomen. Annie snapte daar niets van maar toen begon de man uit te leggen dat een van zijn voorouders ook vermoord was en daarom had hij voor de missionaris een levensboom gemaakt van zijn vermoorde voorouder.

Rituelen en ceremonies

De kunst van het leven is om dat in balans brengen met de spirituele wereld. Uitgebreide en zeer ingewikkelde ceremoniën en rituelen moeten zeer nauwkeurig gevolgd worden om een heilzame uitwerking te hebben. De houtsnijwerken, de schilden en de drums spelen daar allemaal een belangrijke rol bij.

Recentelijk hebben antropologen ontdekt dat de ceremoniën vaak nog zeer exact uitgevoerd worden. Niemand weet wat het precies allemaal inhoudt maar het moet gebeuren en precies op de manier waarop men het doet.

Er moet een balans zijn tussen de levenden, tussen de doden, tussen de geesten, m.b.t. de vijand, soortgenoten, families en de omgeving.

Zoals hieronder wordt beschreven leidt dit tot kannibalisme en stammenoorlogen maar cadeautjes, bloemen, fruit en het uitwisselen van voedsel en gereedschap heeft een even belangrijke rol in het streven naar balans. Deze balans is uiterst belangrijk; als een gift niet wordt gecompenseerd door een tegengift vergeet en vergeeft men dit niet gauw.

Toverkunst

Toverkunst is ook een belangrijk onderdeel van dit religieuze levenspatroon. Toverformules, toverdrankjes en andere middelen kunnen gebruikt worden om de geesten gunstig te stemmen, gevaar af te weren een oorlog te winnen en ga zo maar door. Aan de ene kant zijn deze toverzaken enorm geliefd, aan de andere kant worden ze enorm beschermd en natuurlijk alles is volledig afhankelijk van de juiste toepassingen, er mag hier niets fout gaan.

Indien dood veroorzaakt wordt door kwaadaardige tovenarij dan dient dat op dezelfde manier aangepakt te worden als in het kannibalisme.

Zonsverduistering in Tanah Merah

Tijdens Annie’s verblijf in Tanah Merah werd het bekend dat er binnenkort een zonsverduistering zou gaan plaatsvinden. Vanuit Merauke had men wat glas laten overkomen dat met roet kon worden zwart gemaakt zodat men deze gebeurtenis  goed kon volgen. In de daaraan voorafgaande weken hadden de Nederlanders uitvoerig uitgelegd wat er allemaal ging gebeuren, hoe een zonsverduistering tot stand komt enz. Het moment werd met grote spanning afgewacht. Maar toen eenmaal de zon achter de maan ging verdwijnen en het overdag donker werd, brak er een regelrechte paniek uit en de meeste bewoners van Tanah Merah vluchtten het bos in. Het heeft dagen geduurd voordat iedereen weer  te voorschijn durfde te komen

Houtsnijwerken en geesten

Belangrijke hulpmiddelen zijn ook de diverse houtsnijwerken. De geesten kunnen d.m.v. deze houtsnijwerken gepersonifieerd worden. Ze kunnen voorouders vertegenwoordigen en zogauw het werkstuk een naam heeft gekregen bevat het de geest van die persoon. Zij kunnen bemiddelen tussen de levenden en de overleden voorouders.

Houtbewerkers zijn daarom dan ook belangrijke personen in het dorp en ieder dorp heeft zijn eigen vakmannen. Tijdens het maken van de diverse werkstukken moet de opdrachtgever zorgdragen voor het onderhoud van de maker en zijn familie. Lekkernijen worden niet afgeslagen en tabak is speciaal welkom.

Levensbomen zijn houtsnijwerken waarin meerdere overledenen boven elkaar zijn uitgesneden. Ze kunnen soms 5 meter hoog zijn.

Schilden nemen wellicht de belangrijkste plaats in. Ook hier vindt naamgeving plaats en de geest van de betreffende voorouder beschermt niet alleen de drager van het schild, maar geeft hem ook enorme kracht als hij ten strijde trekt. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in de symbolen op het schild, deze moeten op hun beurt schrik en angst wekken bij de tegenstander. Op de films komen deze schilden dan ook in grote getale voor.

De band tussen het schild en de geest die het vertegenwoordigd is groot. Vaak wordt de geest waargenomen door de krijger, alsof de persoon die de geest vertegenwoordigd werkelijk aanwezig is. Het is uiterst belangrijk dat de geest uitstekend wordt behandeld, anders kan er grote schade aangericht worden, zoals het bederven van vis of sago of  de verspreiding van bepaalde ziektes.

Schilden werden ook tegen de deurpost van de hut gezet of op de grond in de deuropening om zo de bescherming van de geesten af te roepen.

Tijdens rituelen en ceremonies worden de schilden bij elkaar geplaatst, de geesten kunnen namelijk zodoende gezamenlijk de energie versterken.

D.m.v. maskers kunnen de overledenen de levenden bezoeken en zodoende hum relatie met hen bevestigen. Op deze manier kunnen de levenden ook de assistentie aanroepen van de voorouders.

Voor drums wordt hardhout gebruikt en het kan daarom soms maanden duren voordat een drum klaar is. Huid van hagedissen wordt gebruikt voor het trommelvlies. Ook de drum krijgt een naam, maar de verschillende symbolen op de drum kunnen ook weer andere voorvaderen vertegenwoordigen

Voor de beschildering worden drie kleuren gebruikt:
·    Wit wordt gemaakt van mosselschelpen, die verbrand en gemalen zijn. Wit op een kano zorgt voor snelheid. In geval van menselijke afbeeldingen, vertegenwoordigt het de huid.
·    Rood komt van riviermodder (Tanah Merah = rode aarde). Nadat deze gebakken wordt, krijgt het een diep rode kleur. Rood wordt rondom de ogen geschilderd en bootst de rode veren na die rond de ogen van de kaketoe zitten, en dient ervoor om angst bij de tegenstander op te roepen.
·    Zwart komt van houtskool en vertegenwoordigt het haar op menselijke afbeeldingen.

Een van de scheppingsverhalen van de Asmat vertelt over de houtsnijwerken die nadat de drum werd bespeeld tot leven kwamen. Zij zijn de voorvaderen van de Asmat.

Asmat-ow ‘echte mensen’

De mensen noemen zich zelf Asmat-ow. Dit betekent ‘wij de echte mensen’. Dit in tegenstelling tot de ‘anderen’ (hun doden en spirits). Een andere betekenis van de naam wordt ook gegeven: ‘mensen van de boom’. Een van hun scheppingsverhalen beschrijft dat de Asmatters uit hout gesneden zijn en dat hun leven werd ingeblazen door het bespelen van de drum.

Kannibalisme and koppensnellerij

Zwangerschap, geboortes, ziektes, dood, huwelijken vormen allemaal een onderdeel in het streven naar balans tussen de levenden mensen en een aantal geesten. Hierin past ook kannibalisme. De reden voor de dood van een van de familieleden kan veroorzaakt worden door iemand in een ander dorp. In een dergelijk geval kan alleen de dood van een persoon in dat andere dorp de balans weer in orde brengen.

Sommigen stammen waren koppensnellers, andere menseneters, zonder dat ze apart de koppen snelden. Weer andere zijn beide tegelijk.

Kannibalisme and koppensnellen is geen vorm van wraakoefening, het gaat erom om de balans te herstellen. Zij die door kannibalisme om het leven zijn gebracht kunnen niet naar de geestenwereld overgaan (Safran) voordat een zelfde aantal mensen om het leven is gebracht, waaronder hen die de balans uit evenwicht hebben gebracht.

Is dat eenmaal gebeurd dan gaat ieder weer vreedzaam naar huis en worden de normale betrekkingen weer gewoon opgenomen.

Deze constante druk op de bevolking kan een reden zijn voor het feit dat buitenstaanders de Asmatters vaak beschrijven als angstaanjagend en agressief.

Tot in de jaren 60 zijn er nog gevallen van koppensnellerij gemeld. Tijdens Annie’s verblijf vond een van de grootste stammenoorlogen plaats, die werd  beschreven door westerlingen.

Het ging hier om twee stammen bij haar in de buurt de Yaqqi en de Citak. Op de terugtocht van een handelstocht naar Kepi, op zondag 26 juli 1959, werden de ongeveer 100 Citak overvallen in hun prauwen door de Yaqai, waarbij naar schatting de helft van de Citak zijn vermoord. Het ging hier waarschijnlijk om een zeer traditionele sneltocht, die al geruime tijd in voorbereiding was. De aanleiding hiertoe schijnt de ontevredenheid van de plaatselijke vrouwen geweest te zijn. Ze voelden zich tekort gedaan, zij moesten trouwen zonder dat hun mannen een gesnelde kop inbrachten. Hierdoor kon aan de kinderen uit het huwelijk geen naam gegeven worden. Zonder gesnelde koppen konden rouwperiodes niet worden afgesloten en konden de vrouwen dus niet hertrouwen. Gesteund door de ouderen schijnen de vrouwen seks onthouden te hebben aan hun mannen. Dit was te veel voor de Yaqai mannen en de Citak bleken een gemakkelijke prooi. Er hadden al jarenlang geen stammenoorlogen meer plaatsgevonden, er was totaal geen aanleiding voor de overval en de Citak hadden geen schijn van kans. Een uitgebreid verslag van Annie’s collega Karel Huiskamp is als een bijlage aan dit boek toegevoegd .

Vervolg: De overgangsperiode