Paul Budde's History Archives

De Swifterbant- , Touwbeker- en Klokbekerculturen.

Swifterbant – de eerst bekende mensengroep in onze regio

De eerst meer vaste bewoners zijn bekend geworden als Swifterbant, vernoemd naar de plek in de Noordoostpolder, waar belangrijke vondsten werden gedaan. De Swifterbant is een archeologische cultuur van het sub-neolithicum (5300 – 3400 v.Chr.). Deze mensen waren nog steeds voornamelijk jager-verzamelaars (vissers) die min of meer vaste woonplekken hadden op droog land, waar ze later ook veeteelt bedreven.

Het is misschien een Keltisch woord dat betekent ‘aan de linkerkant’. Later in de Middeleeuwen komen we de naam Teisterbant tegen, wat rechter kant betekent, dat geldt voor een regio rond de Betuwe. De woorden geven aan waar die plaatsen waren ten opzichte van de rivier.

In het kustgebied ontwikkelde zich een anders sub-neolithicum cultuur die bekend staat als de Vlaardingen Cultuur (3.500 – 2.500 v.Chr). Er wordt aangenomen dat deze cultuur aspecten toont van zowel de nieuwe landbouw ontwikkelingen evenals van de jager-verzamelaars Swifterbant cultuur. Maar inmiddels waren deze mensen goed en wel gevestigde boeren. Een steenbijl van deze mensen werd ook ontdekt in de buurt van Tilburg in Brabant. Een pot die typerend is voor hun cultuur, met gaatjes rond de bovenkant (om touw door te trekken?) werd gevonden in Herpen.

719ca63d-26ad-44f8-b2bc-299dfe33fef0

Nieuwe Steentijdculturen

Een meer uitvoerige geschiedenis van deze prehistorisch tijden en de ontwikkeling van de mens in noordwest Europa heb ik beschreven in een aparte Engelstalige versie.

Touwbekercultuur

Met de komst van Touwbekercultuur (Corded Ware culture, ca. 2900–2450 v.Chr.) kwam in de Lage Landen het Neolithische tot een grote finale. De landbouw en veeteelt dat ruim 3000 jaar eerder al in het oostelijke gedeelte van het Middellandse Zegebied was begonnen, werd hier nu ook geïntroduceerd. Het ziet er naar uit dat de bestaande sub-neolithicumculturen de nieuwe landbouwcultuur langzaam maar zeker overnamen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze cultuur via migratie of invasie tot stand is gebracht. De plaatselijk bewoners ontwikkelde hun eigen landbouwcultuur die bekend staat as de Klokbekercultuur.

De Touwbekercultuur markeert de overgang van het neolithicum naar de bronstijd en wordt in verband gebracht met de verspreiding van de Indo-Europese taal en cultuur over Centraal-Europa. Deze cultuur verspreidde zich vanuit de Euraziatische steppes via Centraal-Europa naar onze streken.

Terwijl in andere delen van Europa de veranderingen in de daar voorgaande 3000 jaar geleidelijk plaatsvonden kwamen deze veranderingen tegelijkertijd samen in de Lage Landen. Dit resulteerde in een scherpe breuk met de oude archaïsche en statische structuren. Nagenoeg tegelijkertijd met de overgang naar landbouw begon hier de Bronstijd wat dus een dubbele verandering teweegbracht.

Zoals ook het geval is in de moderne tijd, dergelijke abrupte veranderingen opent mogelijkheden voor innovaties, nieuwe structuren, en culturele ontwikkelingen. Aangezien deze ontwikkeling vrij laat in deze afgelegen regio is aangekomen zouden we het kunnen hebben over een vrij snelle ‘revolutie’ en zoals vaak het geval revoluties leiden tot spanning en verstoring.

Deze periode betekent het einde voor de megalithische stenen mortuarium heiligdommen zoals de Hunebedden als ze worden vervangen door kleinere begraafplaatsen, als gevolg van een meer mobiele samenleving. Het was in deze regio’s van Noordwest-Europa waar de oude inheemse structuur het langst duurde, maar uiteindelijk werden ook de mensen hier in de ‘moderne’ tijd gebracht.

Borger - Hunebed - dolmen

Borger – Hunebed – dolmen

De veranderingen versterkte de economie van de lokale bevolking, of op zijn minst van sommige mensen in hun samenleving, en leidde tot een reeks van snelle veranderingen, waarschijnlijk aangedreven door de ‘modernisten’ aan de voorhoede van een reeks van nieuwe innovaties.

Deze omwenteling zou zelfs tot de ontwikkeling van lokale dynastieën van concurrerende (jonge) leiders geleid kunnen hebben, graven zoals die als ‘vorst (chieftain)’ kunnen daar een aanwijzing van zijn. Het is echter belangrijk om dit in de context van nog steeds nogal primitieve landbouwgemeenschappen te plaatsen. En de lokale vorsten waren waarschijnlijk niet veel meer dan lokale leiders en stammenhoofden, wellicht nauw betrokken bij de opbrengsten van plunder en handelsactiviteiten.

Wonend langs de kust en de rivieren, waren deze mensen ook doorgewinterde schippers. De veranderingen zouden ook stimulerend hebben kunnen werken om verder te kijken dan hun marginale landbouwgronden, beperkt door de lokale milieusituatie van deze dynamische regio tussen land en water. Tel daar de bevolkingstoename bij, dankzij de opbrengsten van de landbouw en je hebt de juiste mix voor een revolutionaire ontwikkeling in deze uithoek van noordwest Europe.

Deze mensen richtten een complex netwerk van allianties op om de materiële symbolen van succes veilig te stellen. Plundertochten moet ook zijn oorsprong hebben gehad in deze periode een ontwikkeling die zo zou blijven tot ver in de vroege Middeleeuwen. In dit vroege stadium heeft dit echter nog niet geleid tot afgedwongen territoriale grenzen of tot handhaving van territoriale controle.

Klokbekercultuur

De Touwbekercultuur kwam rond 3100 v.Chr. in de Rijndelta aan en deze cultuur werd overgenomen door de verschillende inheemse cultuurgroepen zoals de Hunebedbouwers, mensen van de Stein Groep (Limburg en oostelijk Brabant) en de Enkelgrafcultuur (Noord-Nederland, Noordwest Duitsland) en de Vlaardingencultuur. De nieuwkomers brachten kennis en materialen van de Neolithische landbouwrevolutie met zich mee. Het duurde een paar eeuwen voor deze culturen om zich volledig te vermengen met de plaatselijke jacht en verzamel gewoontes maar langzaamaan ontstond ook hier een landbouwcultuur die bekend is geworden als de Klokbekercultuur, men zette wel de plaatselijke traditie van alleenstaande grafbegrafenissen voort maar geleidelijk aan vestigden ze zich en werden ze boeren. Jacht, visserij en het verzamelen van ander voedsel is heel lang een onderdeel gebleven van de nieuwe levensstijl. Maar nu vanaf vaste woonplaatsen. Sinds de neolithische periode in noordwest Europa belande is er opmerkelijk weinig bewijs van kampementen van rondtrekkende jagers, dus het lijkt erop dat vanaf die tijd de landbouw de hoofdactiviteit is geworden.

De klokbekers zijn belangrijke culturele markeringen, en tonen de aanwezigheid aan van de eerste boeren in de Rijndelta en langs de rivieren tot in het Rijnland.

Northern-group-of-the-Bell-Beakers-Pottery-with-zone-ornamentation-Some-examples-1

Voorbeelden van klokbeker aardewerk

Ze woonden in een gebied met veel maritieme kruispunten, en er werd gehandeld met Groot-Brittannië en Schotland en men bezocht plaatsen langs de Atlantische kust, hun klokbekers en andere elementen van hun cultuur, eindigde tot in Portugal, Zuid-Spanje en Sicilië. Via de binnenvaartsystemen bereikten ze Duitsland en Frankrijk.  Dit zou wel eens het vroegste bewijs kunnen zijn van de zeevaart en de handel in deze streken; een kenmerk dat nog steeds nauw verbonden is met de Lage Landen.

De reis- en handelsactiviteiten brachten deze mensen ook in contact met andere culturen uit de Bronstijd, met name de Únětice-cultuur in Centraal-Europa (ong. 2.300-1.600 v.Chr.) en de Noorse Bronstijd, een cultuur van Scandinavië en het noordelijkste Duitsland-Polen, 1.700-500 v.Chr.

We zien nu ook de eerste Europese producten aankomen vanuit het Middellandse Zeegebied; amber uit de Oostzee belandde helemaal in Egypte.

Deze contacten hielpen ook bij het openen van handelsroutes met de metallurgische kooplui in Midden-Europa. Klokbekermensen waren instrumenteel in de verspreiding van het gebruik van bronzen producten en waarschijnlijk ook paarden en strijdwagens (het wiel) in hun handelsgebieden. De handel die plaatsvond was uitsluitend gebaseerd op luxegoederen die maar voor een heel klein gedeelte van de bevolking bereikbaar was. Dit creëerde voor het eerst een meer gestratificeerde gemeenschap.

Deze nieuwe vorm van individualisme leidde tot een meer materialistische cultuur, waar de nouveau riche mee begon te pronken, dit zien we ook terug in de zogenaamde elite graven (zie hieronder). De meeste van de bronzen wapens vertonen geen tekenen van geweld, het wordt aangenomen dat ze voornamelijk voor ceremonieel gebruik waren bestemd.

The Klokbekercultuur wordt gezien als een lokale vorm van de proto-Keltische Indo Europeanen.

We zien ook dat deze handelaren – op hun zeereizen in deze koude klimaten – ook voor het eerst wollen kledingstukken gingen gebruiken. Een goede indicatie dat de schapenteelt ook op gang was gekomen.

Drinkbekers

De klokbekers zijn de meest karakteristieke elementen die deze cultuur heeft achtergelaten. Op basis van pollenonderzoek blijkt dat deze zeker ook werden gebruikt voor zwak alcoholische dranken zoals mede gemaakt met kruiden en gefermenteerde wilde vruchten – allemaal zeldzame producten en dus prestigieus. Misschien werden ze ook gebruikt tijdens de voorbereiding van gevaarlijke reizen. Waarschijnlijker werd het voornamelijk gebruikt voor gastvrijheid en niet zozeer voor grootschalige gemeenschapsceremonies.

Op de begraafplaats in Oss waren tenminste twee graven met klokbekers die dateren van 2.200 tot 2.000 v.Chr. Een ervan is een prachtig versierd type van een Veluwe beker en werd gevonden in het urnenveld vlak bij het Hallstatt-vorstengraf en was destijds (1935) de eerste van een dergelijke vondst in Brabant. Deze beker werd begraven naast een crematie, dit is vrij ongebruikelijke in het late Neolithicum (jonge of nieuwe steentijd). Een tweede klokbeker, beter omschreven als een schaal werd rond dezelfde tijd gevonden in een grafheuvel een paar kilometer naar het westen, in Schaijk, hier ontdekten ze ook het silhouet van een schedel in de zanderige gronden van de grafheuvel.

20210202_124925

Laat Neolithicum Klokbeker opgegraven door archeoloog F. Bursch in 1935 in een van de Osse grafheuvels, 17.7 cm hoog. Waarschijnlijk gebruikt voor voedsel of drank.

Andere bewijzen van deze mensen in deze regio zijn een beker uit alleenstaand graf en een (leeg) 2e graf bij Cuijk en nog eentje, een paar kilometer verderop in de buurt van het dorp Haps. In het nabijgelegen Beers-Gassel werd nog een klokbeker gevonden samen met enkele gouden sieraden.

Van de ongeveer 1.000 grafheuvels in de Lage Landen is bijna twee derde te vinden op de hellingen van de zandheuvels gevormd door de morene in Drenthe, Twente, de Veluwe, Gelderseheuvelrug (tussen Nijmegen en Rhenen) en op de Maashorst. Er zijn veel overeenkomsten tussen de begraafplaatsen in deze gebieden.

 

Meer gedetailleerde informatie over deze periode zie: The History of Northwestern Europe  chapter  Neolithic

De Geschiedenis van Oss (index)

De Bronstijd in de Lage Landen – Grafheuvels en urnenvelden – Haps.