Paul Budde
  • PaulBuddeHistory.com covers the historical interests and projects of amateur historian Paul Budde; tracing the broader Budde family history back through North Germany and the Baltic region.

    His personal interest is in medieval North Western Europe. Also covered is the local history of Bucketty, NSW, Australia.

Paul Budde's History Archives

Tijdsbeeld van Het leven vóór de Tweede Wereldoorlog

Kinderen van een nieuwe tijd

Mijn ouders zijn beiden in de jaren twintig van de 20ste eeuw geboren. Dat waren welvarende jaren en een directe reactie op de Eerste  Wereldoorlog (1914-1918). Nederland had niet geleden onder die oorlog. Het was in het belang van zowel Duitsland als Engeland dat Nederland neutraal bleef dus dat gebeurde dan ook, een echte eigen mening hield Nederland er op dat moment nog niet op na. Zonder een direct resultaat liep de oorlog dood, toen de troepen vaak uit eigen beweging terug naar huis gingen. Dat wil zeggen de soldaten die het overleefd hadden, 8 miljoen jonge mannen sneuvelden en 23 miljoen raakten er gewond.

De Eerste Wereldoorlog is in vele opzichten uniek, maar een van de meest schrikbarende uitgangspunten was dat de oorlog onvermijdelijk was nog voordat die begonnen was. Landen zoals Duitsland waren er op uit om hun sterkte te bewijzen en hun plaats in de geschiedenis in te nemen. Het land als zodanig bestond pas sinds 1871. Engeland, de wereldmacht vóór de oorlog, wilde maar al te graag de vijand een lesje lezen. Deze landen zogen, in hun enthousiasme, de jongemannen uit hun koloniën mee. En zingend vetrokken de troepen op naar de slagvelden aangemoedigd en toegewuifd door familieleden en landgenoten. Het was een feest, een eer om dat te mogen doen voor ‘The Empire’ voor ‘Der Kaiser’ of voor de Tsaar. Namen en geboortedata werden vervalst om toch vooral maar mee te mogen doen.

Eenmaal aangekomen op de slagvelden van België, Polen, Turkije en Noord Afrika bleek de realiteit er heel anders uit te zien, dat wil zeggen voor de troepen. De legerleiding deed alsof er niets aan de hand was en speelde haar strategische spelletjes vanuit de commandoposten, zoals anderen een gezelschapsspel spelen. Vastgeroest in hun oude aristocratische militaire tradities, zonder oog voor een totaal nieuwe manier van oorlogvoering.

Het feodale tijdperk dat het leven op het platteland gedurende zo’n duizend jaar had bepaald, kwam tot een eind in de eerste helft van de 19e eeuw. Sinds 1848 hadden de eerste democratiseringsprocessen een aanzienlijke opmars gemaakt en was er een voortdurende oppositie tegen de gezaghebbers die uitsluitend bestond uit de gevestigde aristocratische orde. 1848 Was ook het jaar waarin mijn overgrootvader, Gerhard Budde, was geboren*. In de meeste Europese landen heerste er dat jaar een revolutie die leidde tot nieuwe grondwetten, de oprichting van Parlementen en de aanzet tot meer medezeggenschap voor de rest van de bevolking. Tussen 1848 en 1870 werd het gezag omgezet van de koning naar het parlement, initieel leidde dit tot een liberale politiek, met economische vrijheid.  De aristocratie schoof op naar de liberale politiek en sloot een nieuw machtsverbond met de kapitaalkrachtige zakenlieden. Het was deze laatste groep, die het meest profiteerde van de nieuwe democratie. Het duurde tot na de Tweede Wereldoorlog dat er een echte democratische doorbraak kwam ten gunste van de gehele bevolking.

Maar in 1914 hingen de koningen, keizers, admiraals en kolonels met hun laatste vingertoppen aan hun persoonlijke macht vast en zij zagen deze oorlog als een nieuwe mogelijkheid om deze macht te versterken. Met die illusie voor ogen  wilden ze deze oorlog toch oh zo graag voeren en de propaganda-machine had iedereen enthousiast gemaakt. Het maatschappelijke klassenverschil, dat gedurende meer dan duizend jaar aan de orde van de dag was geweest, vond zijn continuering in de verhoudingen tussen de (aristocratische) legerleiding en de manschappen. De soldaten konden zodoende heel eenvoudig en zonder problemen door de elite als kanonnenvoer gebruikt worden. Zij dachten nog aan de veldslagen en oorlogen die in weken en maanden tot een einde kwamen, zoals de laatste Europese oorlog tussen Frankrijk en Duitsland van 1870/1871 waar Gerhard Budde (Der Altkrieger) ook in had mee gevochten* en de Napoleontische oorlogen van een kleine eeuw daarvoor.

De laatste bezetting van Nederland had plaats gevonden tussen 1795 en 1814 nadat de Nederlandse en Oostenrijkse legers in Fleurus, Belgie waren verslagen door de Fransen.

Zondag 28 augustus 1916

Op de dag dat Der Altkrieger stierf, 28 augustus 1916, waren er artillerie activiteiten aan het front bij de Somme. De Fransen wonnen terrein ten zuidoosten van Thiaumont en weerden aanvallen van de Duitsers af bij Fleury en bij een positie in de buurt van Vaux Fort (Verdun)

Toen de manschappen de realiteit van de loopgravenoorlog zelf begonnen te ervaren, konden ze niet meer terug, ze hadden totaal geen zeggenschap over wat en waar iets gebeurde. Dat leidde ook tot een zekere mate van verbroedering tussen de vijandelijke manschappen. Er zijn volop verhalen waar deze manschappen tussen de strijd door bij elkaar in de loopgraaf op bezoek gingen, voedsel en sigaretten ruilden, samen kerstliederen zongen, enz.

De strijdtonelen waren zeer geconcentreerd en niemand maakte vorderingen. Er was eigenlijk geen sprake van een echt einde van de oorlog met capitulatie-ondertekeningen, enz. De wapenstilstanden duurder steeds langer. De Russische soldaten hadden er in 1917 al de brui aangegeven en liepen naar Moskou terug, waar ze een jaar later de tsaar vermoordden. In navolging van de Russen draaiden de Duitse en Oostenrijkse manschappen zich in oktober 1918 ook om en begonnen naar huis terug te lopen. Met 8 miljoen doden, keerde een derde tot de helft van alle jongemannen in de oorlogvoerende landen niet terug.

De terugtocht werd niet geleid door de oude elite, die de aanzet tot de oorlog met zo veel propaganda  had verheerlijkt tot heldendom, maar door de gedesillusioneerde soldaten die eenmaal terug in hun land soldatenraden opzetten om te voorkomen dat ze weer naar zo’n verschrikking zouden worden toegestuurd. Het voorbeeld daartoe kwam uit Rusland waar zulke raden al sinds 1918 bestonden. In het huis van de  Buddes in Nordhorn werd in 1919 ook zo’n ‘Soldatenrat’ opgezet*.  Uiteindelijk eindigde het tijdperk, dat rond 1848 begonnen was, met de ineenstorting van de oude gezagsstructuren in Duitsland, Oostenrijk en Rusland. Ook Engeland raakte zijn wereldmachtspositie kwijt, Amerika nam deze positie over. Dit werd bevestigd tijdens het desastreuze verdrag van Versaille dat in 1919 werd getekend. Het was van het begin af aan duidelijk dat Duitsland de herstelbetalingen nooit zou kunnen betalen en daarmee werd de grondslag gelegd voor grote armoede en ontevredenheid. Terwijl de nieuwe machtsstructuren in de omliggende landen meer gematigd waren, waren de nieuwe structuren in Duitsland veel extremer.

Met bijna 70 miljoen man onder de wapenen, gedurende de Eerste wereldoorlog, kwam het in één keer op de vrouwen neer om de landelijke economieën gaande te houden en de troepen van wapens, eten, kleren en andere voorraden te voorzien. Terwijl de mannen gedurende de voorafgaande 50 jaar langzaam maar zekere meer geëmancipeerd waren geraakt, waren de vrouwen nog veelal opgesloten in de Victoriaanse tijd. Er waren strenge regels voor alles: de lengte van het haar, de lengte van de rokken, de lagen ondergoed, uitgaan zonder chaperonne was nog steeds taboe, meisjesonderwijs lag ver achter dat van de jongens, werken buitenshuis was er haast niet bij en ga zo maar door. Zij werden, net zoals vele andere burgers in 1918 door de Spaanse griep getroffen, waarin 50 miljoen mensen stierven en dat leidde onder andere ook tot grote stagnaties in de oorlogsindustrie.

Nadat de vrouwen de economie draaiend hadden gehouden, was er natuurlijk voor hen na de oorlog geen weg terug. Vrouwenkiesrecht werd nu algemeen, onderwijs werd aangepakt, en met meer zelfbewustheid maakte de ‘mode’ een bredere intrede.

Combineer de gedesillusioneerde soldaten met de ‘nieuwe’ vrouwen en je hebt de jaren twintig. Oude tradities, in leven gehouden door dezelfde elite die hen in de oorlog hadden geleid, werden overboord gegooid en een heel nieuwe samenlevingsstructuur begon zich te ontwikkelingen met name in Duitsland en Frankrijk.

Nederland had dat alles niet zo direct meegemaakt. Het leven was min of meer zijn gangetje gegaan en de oude garde dacht min of meer op dezelfde manier door te gaan, zoals ze dat voor een tijdens de oorlog had gedaan. De gelijkheid van vrouwen bleef achterlopen, en buitenshuis werken kwam in Nederland pas in de jaren 60 en 70 van de 20ste eeuw op gang.

De zekerheid van het geloof

Mijn ouders groeiden op tijdens de hoogtijdagen van het Rijke Roomsche Leven. De nieuwe vormen van communicatie, welvaart en onderwijs waren allemaal belangrijke middelen die het de kerken mogelijk maakten om een meer directe invloed uit te oefenen op de gelovige zieltjes. Dit gold zowel voor rooms katholieken als voor protestanten. Deze laatste groep maakte in deze jaren het merendeel van de Nederlandse gelovigen uit. Maar Ootmarsum was hoofdzakelijk rooms katholiek.

Het leven vond plaats temidden van je geloofsgenoten. Dat gold voor scholen, zangverenigingen, toneeluitvoeringen, verzekeringen, uitstapjes, enz. Je kocht bij geloofsgenoten, trouwde met geloofsgenoten, ging bij elkaar op de koffie, met elkaar op vakantie, enz. Je leerde katholieke geschiedenis, leerde de Nederlandse taal uit katholieke taalboekjes. Elke dag had zijn heilige, ieder seizoen zijn kerkelijke hoogtijdagen en je wist precies wat je dan moest doen, welk gebed daar bij hoorde en welke actie van je verwacht werd. Je kon dagen uitkijken naar de pracht en praal die Pasen of Kerstmis met zich meebrachten, naar het water dat op Maria Lichtmis werd gewijd, naar de kaarsen zegening van Blasius. In de dagen voor Pinksteren waren er de donderpreken en de spanning  was in de samenleving te voelen; aflaten verdienen met Allerzielen, en ga zo maar door. Het leven was een geordend geheel met de juiste doseringen voor lief en leed, boete en vreugde, spanning en rust, de zuil waarin je met je soortgenoten zat zorgde ervoor dat deze verhoudingen zo netjes mogelijk bleven bestaan. De zuilen overleefden twee wereldoorlogen maar stortten uiteindelijk in gedurende de 60-er jaren.

De activiteiten binnen de zuil waren hoogstwaarschijnlijk belangrijkere zaken voor de ouders van mijn ouders dan de gevechten gedurende de Eerste Wereldoorlog, die een paar honderd kilometer verderop in België plaatsvond. Net als de meeste Nederlanders vond ook hun leven plaats binnen hun eigen zuil en wat daarbuiten plaatsvond kwam op de tweede of derde plaats.

Aan het hoofd van de zuilen zaten de bisschoppen, kardinalen, pastoors, dominees, politici, vakbondsleiders en tezamen hadden zij de touwtjes in handen en bekokstoofden zij de politieke gang van zaken in Den Haag. Zij wisten wat goed voor je was en alles binnen de zuil was erop gericht om dat te bevestigen, en men geloofde dat ook zonder daarbij al te veel vragen te stellen. Wat de Hoge Heren beslisten was goed voor je. Niet dat er toen niet geklaagd en gekankerd werd, maar als puntje bij paaltje kwam hadden de gewone burgers toen nog steeds niet veel te vertellen. Buiten de top om was er binnen de zuilen zelf nagenoeg geen contact met de ‘andersdenkenden’ in de andere zuilen. Iedere zuil had de eigen waarheid in pacht. Deze waarheid kwam tot je door middel van de katholieke school, de protestante preekstoel, de vakbondskrant, de gereformeerde radio en ga zo maar door. De leiders van de zuilen stonden dichter bij de oude aristocratische elite uit de 19e eeuw die op de laatste benen stond te wankelen, dan bij hun eigen leden. De uitzonderingen hier waren de socialisten, maar ook hier vonden de activiteiten strikt binnen de eigen vakbond zuil plaats.

Problemen buiten het dagelijkse leven om waren er niet al te veel. Die liet men aan de kerkelijke en politieke leiders over. De zuil leverde alle zekerheid die nodig was om door het leven te gaan. Uiterlijke conformatie met de zuil was van uiterst belang, tenminste een keer per week (zondag) naar de kerk in een net pak en met een serieus gezicht. Je hoefde niet na te denken, de regels waren bekend en werden niet ter discussie gesteld. De belangrijkste kwesties die op plaatselijk niveau werden besproken, hadden vaak betrekking op personen die de geschreven en ongeschreven gedragsregels overtraden en zich bijvoorbeeld niet correct in de kerk gedroegen (b.v. vóór de preek gaan zitten kon niet, praten en lachen was taboe, kleding en opmaak was een andere geliefd onderwerp, zeker m.b.t. de vrouwen, te vrijelijk contact tussen jongens en meisjes, uitgaan buiten de kerkelijke verengingen was taboe, en ga zo maar door). Vaak werden deze ‘kwesties’ dan ook weer op de preekstoel, al dan niet in bedekte termen, behandeld. Er zal zeker niet al te veel aandacht geschonken zijn aan de Eerste Wereldoorlog vanaf de preekstoel, want dat waren kwesties voor de leiders niet voor de goede gelovigen. De nadruk hier lag op hel en verdoemenis indien je de regels van de zuil overtrad. Er was geen ruimte voor discussie of flexibiliteit, je doet wat de pastoor of de dominee zegt, af uit!

Het hellealternatief was zeer schrikbarend, maar met veel bidden, berouw, boetedoening en goede voornemens was er toch altijd weer hoop op de hemel. Wat dat nou precies betekende wist niemand, maar er was ook niemand die zich daar nou echt druk over maakte – het stond gewoon vast.

Alles in de zuil was afgestemd op dit levenspatroon wat uitvoerig werd bevestigd op school, in de krant, op de radio en ga zo maar door. Het was duidelijk hoe je moest leven en de meesten dachten daar ook verder nooit over na. Zolang je je maar aan de regeltjes hield, hoefde je ook nergens mee te zitten. Je hoefde dan ook veel minder te boeten en je kon dan dus volop genieten van de franjes van de zuil. Processies, vaandels, trommels, hoogmissen, zangkoren, manifestaties en ga zo maar door. Binnen de zuil werd ook iedereen duidelijk op een rijtje gezet. Vooraan in de kerk zaten de notabelen, het bankgeld vooraan was hoger dan achterin, daar kon je noch het altaar, noch de preekstoel zien

Kwantiteit was belangrijk, kwaliteit telde niet: veel bidden, vaak naar de kerk, alle woorden van de catechismus kennen dat was een prestatie. In de 50-er jaren wist ik bijna altijd negens en tienen te halen voor catechismus. Als ik de catechismus nu, 40 jaar later, nog eens doorlees begrijp ik nog steeds geen snars van de inhoud, maar opdreunen in die tijd was voor mij geen probleem. Helaas was de katholieke reputatie al behoorlijk gezakt toen ik mijn tienen haalde en ik heb er niet veel aan gehad. Had ik echter 50 jaar eerder geleefd dan weet ik zeker dat ik met die cijfers eer en reputatie bereikt had tussen de medegelovigen in mijn katholieke zuil.

Zowel de ouders van mijn vader als die van mijn moeder waren trouwe leden van hun zuil, de rooms katholieke kerk. Waarschijnlijk zal mijn vaders vader de zwakste schakel geweest zijn, want er duiken regelmatig verhalen op over zijn levenslustige levensloop, en zeker is dat hij met zijn trouwe kameraden regelmatig op de rand van het reglement leefde. Over een van zijn vrienden wordt soms nog slechts fluisterend gesproken! Maar ook zeker is dat hij nooit echt veel verder is gegaan dan de rand, daarvoor kwam hij uit een te degelijke familie.

De ouders van mijn vader hadden elkaar leren kennen via de katholieke zangverenigingen, zij in Oldenzaal, hij in Ootmarsum. Zij trouwden op 22 januari 1918.

22 januari 1918

Op de dag dat mijn vaders ouders trouwden waren er Duitse aanvallen bij St.Quentin en La Bassee. De Engelsen voerden zware bombardementen uit bij Roules, Menin en Courtrai.

Uit een aantal liedjes dat geschreven is ter gelegenheid van het huwelijk van Theo en Marie Budde en ter gelegenheid van het 25-jarig huwelijksfeest in 1943 heb ik kunnen opmaken dat Theo tijdens de Eerste Wereldoorlog voor militaire dienst werd opgeroepen en na de keuring in Amersfoort gestationeerd werd. Maar al na elf dagen werd hij met groot verlof gestuurd. Ook heb ik kunnen opmaken dat Marie wel zin had om naar Nederlands-Indië te gaan, maar dat ging uiteindelijk toen niet door. Theo’s beste vriend, Leo Brons met wie hij de diensttijd was begonnen, werd wel naar Nederlands-Indië gestuurd.

Echte vroomheid heb ik echter alleen van mijn moeder’s vader gekend. Als hij in de 60-er jaren bij ons op bezoek kwam zat hij vaak voor de TV naar kerkelijke uitzendingen te kijken en als de paus of de buis kwam dan werden er kruisen geslagen en zijn ogen schitterden. Wandelend naast hem door de straten rondom ons huis kon hij bij een mooie kastanjeboom in de bloei stilstaan en zeggen, ‘wat is Gods schepping toch mooi’. Ik was de eerste die hem ’s morgens dood in zijn bed aantrof, hij stierf bij ons thuis. Als ik mijn ogen dicht doe zie ik hem nog liggen: handen gevouwen met de rozenkrans tussen zijn vingers, rustige gezichtsuitdrukking, rustig ingeslapen en rechtstreeks overgestapt naar de hemel. Mijn moeder vertelde me later dat hij op de rozenkrans met zijn laatste ‘tientje’ bezig was. Terugkijkend is hij voor mij het luikje dat opent naar de tijd van het heilige roomsche leven dat je de zekerheden van het leven geeft die je binnen je zuiltje nodig hebt en krijgt. Als je nu terug kijkt kun je stellen dat de zuilen zeker een belemmerende werking hadden op de ontwikkeling van degenen binnen die zuil, maar of we er nu zo veel gelukkiger zijn weet ik zo net nog niet, zeker niet als ik mij ogen dicht doe en aan mijn opa denk..

Mijn moeder heeft dat sterke geloof zeker van hem meegekregen en heeft dat nog steeds, ondanks de gigantische veranderingen die er sinds haar jeugd hebben plaatsgevonden. Maar haar geloof is eigentijds en gebaseerd op haar eigen innerlijke overtuigingen en niet op de traditionele regels en wetten van de leiders van de kerk. De belangrijke rol van de kerk in haar leven kom ik al tegen in haar dagboek waar ze al veel minder verzuilend over protestanten en joden praat dan wat toen de norm moet zijn geweest. Maar op 22 april 1945 schrijft ze toch wel: “Vandaag algemene biddag voor het westen. Via de radio een prachtige Misuitzending met predikatie die vooral de vrouwen en meisjes gold die zich afgaven aan de militairen.”

De welvarende jaren twintig

Voor Annie en Herman waren dit de onbezorgde kinderjaren, beide begonnen ze aan hun schooltijd.

Nederland begon pas laat aan de industriële revolutie. Duitsland, Frankrijk, Engeland en België waren allemaal al volop in ontwikkeling toen Nederland na 1870 er serieus aan begon. Dit was nog steeds in een tijd waarin er een duidelijke scheiding was tussen de staat en de economie. Het liberale beleid was gericht op economische vrijheid met geen enkele staatsinvloed. Dit leverde een geweldige economische opleving: spoorwegen, telefonie, auto’s, elektriciteit en ga zo maar door. Maar de vruchten daarvan werden hoofdzakelijk door de dunne bovenlaag geplukt. Voor de rest van de bevolking was het resultaat schrikbarend. De arbeidsomstandigheden waren beneden alle peil: grote rijkdom aan de top en grote armoede onder de rest van de bevolking. De Nederlandse koning Willem V probeerde vast te houden aan het ‘ancient regime’ en weigerde een snellere democratisering van de staat.

Als we terugkijken op de menselijke evolutie, dan is het interessant om vast te stellen dat de onderlaag van de sociale klasse evolueerde van slaven naar horigen en vandaar uit naar fabrieksarbeiders. Gelukkig zijn met name de laatste 50 jaar de percentages veranderd en vormen de huidige fabrieksarbeiders een aanzienlijk lager percentage van de bevolking.

Maar de sociale wantoestanden konden niet langer meer genegeerd worden. De sociale bewegingen begonnen ook in Nederland voet aan de grond te krijgen en dat bracht grote oproer teweeg binnen de gevestigde partijen die ook weer netjes binnen de zuilen waren opgezet. Naast de Liberalen en de Conservatieven waren er de traditionele protestanten (Christelijk Historische), de gereformeerden (Antirevolutionaire), sinds 1888 het Sociaal Democratisch Verbond (later PvdA) en sinds 1889 de Rooms Katholieke Staatspartij (later KVP).

Naar aanleiding van de schoolstrijd (gelijkstelling van openbare en kerkelijke scholen) van 1878 begonnen de christelijke partijen nauwer samen te werken en van 1885 tot 1925 domineerde deze samenwerking de Nederlandse politiek. Volksverzekering, verbod op kinderarbeid, kiesrecht, schoolwezen, arbeidstijden zijn de belangrijkste resultaten van de staatsinvloed op de sociale en economische samenleving.

Terwijl er binnen de top van de partijen veelvuldig politiek overleg plaatsvond en er veelal gezamenlijke beslissingen genomen werden, bleven de (lagere) partijstructuren binnen de zuil sterk gescheiden ieder met zijn eigen starre partijprogramma’s en straffe discipline naar de leden toe.

De politieke veranderingen, die na de Eerste wereldoorlog een dramatische verandering teweegbrachten in het politieke bestuur van omliggende landen, bereikten Nederland niet. In November 1918 leidde de socialist Troelstra een slecht voorbereide (politieke) revolutie, die faalde (de vergissing van Troelstra). Het idee was gebaseerd op de revolutie in Duitsland waarbij een maand eerder de keizer was afgezet wat tot een ‘echte’ parlementaire democratie had moeten leiden. De “Troelstra-revolutie” mislukte weliswaar, maar leidde toch tot aanzienlijke hervormingen binnen het Nederlandse bestel: de 8-urige werkdag werd ingevoerd, er kwam een algemene volksverzekering en het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.

Deze periode van politieke omwentelingen was mogelijk omdat de oude elitaire machtsstructuren volledig in elkaar stortten. Met meer dan 30 miljoen dode of gewonde soldaten en een veel mondiger vrouwelijk deel van de bevolking was een politiek bewustzijn op gang gekomen, dat erop gericht was dat zo’n waanzinnige oorlog niet meer zou plaatsvinden. Een mondiger bevolking leidde ook tot een grotere politieke verscheidenheid, niet langer gebaseerd op de traditionele stelsels. Aan de ene kant leverde dat de communistische partijen op die bijvoorbeeld in Rusland, Frankrijk en Italië erg sterk werden en aan de andere kant de nationale partijen die met name in Duitsland, Italië en Spanje successen scoorden.

De Nederlandse zuilen zorgden er echter voor dat deze politieke ontwikkelingen aan Nederland grotendeels voorbij gingen.

De magere jaren dertig

Maar vooralsnog wilde iedereen vooruit en de jaren twintig waren ook in Nederland vol actie, swingend en welvarend. Dit kwam tot een abrupt einde in 1929 toen de beurs in New York in elkaar klapte dat leidde tot de grote crisis van de jaren dertig. Nederland kreeg hiervan meer dan z’n portie en wel om twee redenen. De Nederlandse economie was altijd sterk afhankelijk geweest van de Duitse. Het verdrag van Versaille had Duitsland straatarm gemaakt en dat had ook zijn invloed op Nederland. Vervolgens werd gedurende een tiental jaren een economisch wanbeleid gevoerd door Minister President Colijn. In plaats van de economie te stimuleren kromp hij de economie in – dat leidde tot meer werkeloosheid, vermindering van koopkracht, meer werkeloosheid: een vicieuze cirkel. Meer en meer Nederlanders verloren hierdoor het vertrouwen in de politiek en de antidemocratische bewegingen kregen toen ook hier veel meer aanhang. Antoon Mussert richtte in 1931 de Nationaal Socialistische Bond op, de in de Tweede wereldoorlog oh zo beruchte NSB.

Antoon Mussert

Antoon Mussert was een ingenieur bij de Provinciale Waterstaat in Utrecht. Hij stichtte de N.S.B. in 1931. Hij werd niet als volwaardig gezien door de Duitsers, terwijl hij ontzettend zijn best deed om naar de pijpen van Hitler te dansen. Hij had geen echte macht ondanks zijn titel: Leider van het Nederlands Volk.

De antidemocratische Duitse Nazi partij maakte gretig gebruik van de economische malaise. Duitsland had al voor 1929 serieuze economische problemen. Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam begon hij met een economische politiek van expansie; de aanleg van autobanen, het opbouwen van een oorlogsindustrie, de Volkswagen, chemische bedrijven en ga zo maar door. Verder weigerde Hitler om de herstelbetalingen voort te zetten en begon om de bij het verdrag van Versailles opgegeven landsgebieden terug te eisen. De eerste zet was de bezetting in 1936 van het Saargebiet dat Frankrijk in 1919 had opgeëist. Dit alles maakte hem erg populair onder de Duitse bevolking. De jaren dertig waren voor de meeste Duitsers een tijd van opbloei en een vernieuwd gevoel van een Duitse eenheid.

Het is ook belangrijk om hier te vermelden dat sinds de formatie van Duitsland in 1871, het land geen democratie had gekend. Dit kwam pas in 1949 en Duitsland was daardoor een van de laatste westerse landen dat een democratisch bestel kreeg.

Tijdens de oorlog werd Colijn vervangen door Arthur Seys Inquart. Hij was Bondskanselier van Oostenrijk sinds hij in 1938 de Duitsers had uitgenodigd om zijn land over te nemen (Der Anschluss). Van 1940-1945 was hij Rijkscommissaris voor bezet Nederland. Hij begon met een gematigd beleid, maar was al snel erg actief in de Nazi terreur.

Dit was ook een moeilijke tijd voor de Velthuis en Budde families. Geld was schaars en voor Annie en Herman betekende dat er elke dag op en neer gefietst moest worden naar de MULO in Oldenzaal, de bus zat er niet aan. Ze behoorden beide nog tot de gelukkige uitzonderingen. De meeste meisjes mochten niet doorstuderen en jongens werden vaak vervroegd van school gehaald om te gaan werken. Dankzij de bemiddeling van zijn vader begon Herman in 1937 als een vrijwilliger te werken op het gemeentehuis van Ootmarsum.

Vervolg: Oorlogsjaar 1940